benaderen
werkwoord bəˈnadərə(n)Betekenis
- naartoe gaan en aanspreken
- aanpakken
- bijna bereikt hebben
- geen exacte berekening maar een bepaling
Hoe spreek je benaderen uit?
/bəˈnadərən/
Benaderen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| n | nek |
| a | maan |
| d | dak |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van benaderen
benaderenhele werkwoord — benaderdeverleden tijd enkelvoud — benaderdenverleden tijd meervoud — benaderdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | benader | benaderde |
| jij | benadert | benaderde |
| hij, zij, het | benadert | benaderde |
| wij | benaderen | benaderden |
| jullie | benaderen | benaderden |
| zij | benaderen | benaderden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben benaderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| benader | gebiedende wijs |
| benaderd | verleden tijd, deelwoord |
| benaderd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| benaderd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| benaderd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| benaderd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| benaderd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| benaderd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| benaderd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| benaderd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| benaderd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| benaderd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| benaderde | verleden tijd |
| benadere | aanvoegende wijs |
| benaderend | onvoltooid, deelwoord |
| bent benaderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is benaderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was benaderd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd benaderd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt benaderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal benaderd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal benaderd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou benaderd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou benaderd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had benaderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had benaderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had benaderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden benaderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden benaderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden benaderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt benaderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb benaderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben benaderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben benaderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben benaderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben benaderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt benaderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft benaderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft benaderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is benaderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is benaderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te benaderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben benaderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen benaderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart benaderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren benaderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren benaderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren benaderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was benaderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was benaderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was benaderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd benaderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd benaderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd benaderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden benaderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden benaderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden benaderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt benaderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word benaderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden benaderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden benaderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden benaderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt benaderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt benaderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal benaderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal benaderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal benaderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal benaderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal benaderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal benaderd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal benaderd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal benaderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal benaderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal benaderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn benaderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn benaderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn benaderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt benaderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou benaderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou benaderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou benaderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou benaderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou benaderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou benaderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou benaderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou benaderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou benaderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou benaderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou benaderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou benaderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden benaderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden benaderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden benaderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden benaderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden benaderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden benaderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden benaderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden benaderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden benaderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden benaderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden benaderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden benaderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt benaderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt benaderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt benaderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt benaderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen benaderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen benaderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen benaderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen benaderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen benaderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen benaderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen benaderd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen benaderd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen benaderd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen benaderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen benaderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen benaderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen benaderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult benaderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult benaderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult benaderd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult benaderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van naderen met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van benaderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| benader | gebiedende wijs | benaderen |
| benaderd | voltooid deelwoord | benaderen |
| benaderde | verleden tijd | benaderen |
| benaderden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | benaderen |
| benadere | aanvoegende wijs | benaderen |
| benaderend | onvoltooid deelwoord | benaderen |
| benaderende | woordvorm | benaderen |
| benadert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | benaderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van benaderen zijn vastgelegd.