Naar de inhoud

onderdoen

(iets) onder de voeten doen

onderdoen

werkwoord

Betekenis

  1. (iets) onder de voeten doen
  2. overweldigd worden, zich onderwerpen, de minste zijn, zwichten

werkwoord

  1. onder de voeten doen

Vervoeging van onderdoen

onderdoenhele werkwoord — deed onderverleden tijd enkelvoud — deden onderverleden tijd meervoud — ondergedaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik doe onder deed onder
jij doet onder deed onder
hij, zij, het doet onder deed onder
wij doen onder deden onder
jullie doen onder deden onder
zij doen onder deden onder
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
deed onder verleden tijd
doe onder gebiedende wijs
ev. gebiedende wijs
had ondergedaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ondergedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ondergedaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ondergedaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ondergedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ondergedaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ondergedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ondergedaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ondergedaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ondergedaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ondergedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ondergedaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ondergedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ondergedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ondergedaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
onder te doen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
onder te zullen doen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
onder zal doen bijzin, toekomende tijd
onder zou doen bijzin, voorwaardelijk
onder zouden doen bijzin, voorwaardelijk
onder zoudt doen bijzin, voorwaardelijk
onder zullen doen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
onder zullen doen bijzin, toekomende tijd
onder zult doen bijzin, toekomende tijd
onderdeden bijzin, verleden tijd
onderdeed bijzin, verleden tijd
onderdoe bijzin, tegenwoordige tijd
onderdoend onvoltooid, deelwoord
onderdoet bijzin, tegenwoordige tijd
ondergedaan verleden tijd, deelwoord
ondergedaan te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ondergedaan zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te hebben ondergedaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen onderdoen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal onderdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal onderdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal onderdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal onderdoen bijzin, toekomende tijd
zal ondergedaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ondergedaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ondergedaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou onderdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou onderdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou onderdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou onderdoen bijzin, voorwaardelijk
zou ondergedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ondergedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ondergedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) onderdoen onder zou(dt) doen bijzin, voorwaardelijk
zouden onderdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden onderdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden onderdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden onderdoen bijzin, voorwaardelijk
zouden ondergedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ondergedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ondergedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt onderdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt onderdoen bijzin, voorwaardelijk
zoudt ondergedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen onderdoen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen onderdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen onderdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen onderdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen onderdoen bijzin, toekomende tijd
zullen ondergedaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ondergedaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ondergedaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult onderdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult onderdoen bijzin, toekomende tijd
zult ondergedaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal onderdoen onder zult/zal doen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van onder en doen

Woordfamilie van onderdoen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
deden onder aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon onderdoen
deed onder verleden tijd onderdoen
doe onder gebiedende wijs onderdoen
doen onder aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon onderdoen
doet onder aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon onderdoen
onderdeden subordinate-clause, verleden tijd onderdoen
onderdeed subordinate-clause, verleden tijd onderdoen
onderdoe subordinate-clause, tegenwoordige tijd onderdoen
onderdoend onvoltooid deelwoord onderdoen
onderdoende woordvorm onderdoen
onderdoet subordinate-clause, tegenwoordige tijd onderdoen
ondergedaan voltooid deelwoord onderdoen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van onderdoen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over onderdoen

Wat is de betekenis van onderdoen?
Onderdoen is een werkwoord. De betekenis is: (iets) onder de voeten doen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik onderdoen?
Zo vervoeg je onderdoen zo: het voltooid deelwoord is ondergedaan. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord onderdoen is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. N 1
  3. D 2
  4. E 1
  5. R 2
  6. D 2
  7. O 1
  8. E 1
  9. N 1
  10. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

onderdoen levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 48 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. N 1
  3. D 2
  4. E 1
  5. R 2
  6. D 2
  7. O 1
  8. E 1
  9. N 1
  10. 12 zonder bonus
  11. 48 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (D) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

onderdoen in het kort

onderdoen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van onderdoen staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort onderdoen bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

onderdoen: (iets) onder de voeten doen
Deel onderdoen — standaardnederlands.nl