onderdoen
werkwoordBetekenis
- (iets) onder de voeten doen
- overweldigd worden, zich onderwerpen, de minste zijn, zwichten
werkwoord
- onder de voeten doen
Vervoeging van onderdoen
onderdoenhele werkwoord — deed onderverleden tijd enkelvoud — deden onderverleden tijd meervoud — ondergedaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | doe onder | deed onder |
| jij | doet onder | deed onder |
| hij, zij, het | doet onder | deed onder |
| wij | doen onder | deden onder |
| jullie | doen onder | deden onder |
| zij | doen onder | deden onder |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| deed onder | verleden tijd |
| doe onder | gebiedende wijs |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ondergedaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ondergedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ondergedaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ondergedaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ondergedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ondergedaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ondergedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ondergedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ondergedaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ondergedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ondergedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ondergedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ondergedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ondergedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ondergedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| onder te doen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| onder te zullen doen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| onder zal doen | bijzin, toekomende tijd |
| onder zou doen | bijzin, voorwaardelijk |
| onder zouden doen | bijzin, voorwaardelijk |
| onder zoudt doen | bijzin, voorwaardelijk |
| onder zullen doen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| onder zullen doen | bijzin, toekomende tijd |
| onder zult doen | bijzin, toekomende tijd |
| onderdeden | bijzin, verleden tijd |
| onderdeed | bijzin, verleden tijd |
| onderdoe | bijzin, tegenwoordige tijd |
| onderdoend | onvoltooid, deelwoord |
| onderdoet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ondergedaan | verleden tijd, deelwoord |
| ondergedaan te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ondergedaan zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben ondergedaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen onderdoen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal onderdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal onderdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal onderdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal onderdoen | bijzin, toekomende tijd |
| zal ondergedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ondergedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ondergedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou onderdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou onderdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou onderdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou onderdoen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou ondergedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ondergedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ondergedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) onderdoen onder zou(dt) doen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden onderdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden onderdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden onderdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden onderdoen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ondergedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ondergedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ondergedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt onderdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt onderdoen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ondergedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen onderdoen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen onderdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen onderdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen onderdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen onderdoen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen ondergedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ondergedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ondergedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult onderdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult onderdoen | bijzin, toekomende tijd |
| zult ondergedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal onderdoen onder zult/zal doen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van onder en doen
Woordfamilie van onderdoen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| deden onder | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | onderdoen |
| deed onder | verleden tijd | onderdoen |
| doe onder | gebiedende wijs | onderdoen |
| doen onder | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | onderdoen |
| doet onder | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | onderdoen |
| onderdeden | subordinate-clause, verleden tijd | onderdoen |
| onderdeed | subordinate-clause, verleden tijd | onderdoen |
| onderdoe | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | onderdoen |
| onderdoend | onvoltooid deelwoord | onderdoen |
| onderdoende | woordvorm | onderdoen |
| onderdoet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | onderdoen |
| ondergedaan | voltooid deelwoord | onderdoen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van onderdoen zijn vastgelegd.