omzien
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈɔmzinBetekenis
- naar ~: zorgen voor
- in terugwaartse richting blikken
- een hele korte periode
Hoe spreek je omzien uit?
/ˈɔmzin/
Omzien bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| m | maan |
| z | zon |
| i | riet |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van omzien
omzienhele werkwoord — zag omverleden tijd enkelvoud — zagen omverleden tijd meervoud — omgezienvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zie om | zag om |
| jij | ziet om | zaagt om |
| hij, zij, het | ziet om | zag om |
| wij | zien om | zagen om |
| jullie | zien om | zagen om |
| zij | zien om | zagen om |
Alle 83 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is omgezien | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was omgezien | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd omgezien | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt omgezien | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal omgezien worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal omgezien zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou omgezien worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou omgezien zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had omgezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had omgezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had omgezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden omgezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden omgezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden omgezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt omgezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb omgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omgezien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben omgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben omgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt omgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| om te zien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| om te zullen zien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| om zal zien | bijzin, toekomende tijd |
| om zou zien | bijzin, voorwaardelijk |
| om zouden zien | bijzin, voorwaardelijk |
| om zoudt zien | bijzin, voorwaardelijk |
| om zullen zien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| om zullen zien | bijzin, toekomende tijd |
| om zult zien | bijzin, toekomende tijd |
| omgezien | verleden tijd, deelwoord |
| omgezien te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgezien zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omzaagt | bijzin, verleden tijd |
| omzag | bijzin, verleden tijd |
| omzagen | bijzin, verleden tijd |
| omzie | bijzin, tegenwoordige tijd |
| omziend | onvoltooid, deelwoord |
| omziet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| te hebben omgezien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen omzien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zag om | verleden tijd |
| zal omgezien hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgezien hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal omgezien hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal omzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal omzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal omzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal omzien | bijzin, toekomende tijd |
| zie om | gebiedende wijs |
| zou omgezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omgezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omgezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou omzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou omzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou omzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou omzien | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) omzien om zou(dt) zien | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden omgezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omgezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omgezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden omzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden omzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden omzien | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt omgezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt omzien | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen omgezien hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen omgezien hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen omgezien hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omzien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen omzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen omzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen omzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen omzien | bijzin, toekomende tijd |
| zult omgezien hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult omzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult omzien | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal omzien om zult/zal zien | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van om bw en zien ww
Woordfamilie van omzien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| omgezien | voltooid deelwoord | omzien |
| omzag | subordinate-clause, verleden tijd | omzien |
| omzie | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | omzien |
| omziend | onvoltooid deelwoord | omzien |
| omziende | woordvorm | omzien |
| omziet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | omzien |
| zag om | verleden tijd | omzien |
| zie om | gebiedende wijs | omzien |
| zien om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | omzien |
| ziet om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | omzien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omzien zijn vastgelegd.