omvormen
werkwoordBetekenis
- een andere vorm geven, een geheel andere functie geven
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van omvormen
omvormenhele werkwoord — vormde omverleden tijd enkelvoud — vormden omverleden tijd meervoud — omgevormdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vorm om | vormde om |
| jij | vormt om | vormde om |
| hij, zij, het | vormt om | vormde om |
| wij | vormen om | vormden om |
| jullie | vormen om | vormden om |
| zij | vormen om | vormden om |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben omgevormd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent omgevormd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is omgevormd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was omgevormd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd omgevormd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt omgevormd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal omgevormd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal omgevormd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou omgevormd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou omgevormd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had omgevormd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had omgevormd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had omgevormd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden omgevormd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden omgevormd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden omgevormd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt omgevormd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb omgevormd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omgevormd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben omgevormd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omgevormd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben omgevormd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt omgevormd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omgevormd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omgevormd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is omgevormd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is omgevormd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| om te vormen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| om te zullen vormen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| om zal vormen | bijzin, toekomende tijd |
| om zou vormen | bijzin, voorwaardelijk |
| om zouden vormen | bijzin, voorwaardelijk |
| om zoudt vormen | bijzin, voorwaardelijk |
| om zullen vormen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| om zullen vormen | bijzin, toekomende tijd |
| om zult vormen | bijzin, toekomende tijd |
| omgevormd | verleden tijd, deelwoord |
| omgevormd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omgevormd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omgevormd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgevormd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgevormd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgevormd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omgevormd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omgevormd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omgevormd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omgevormd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omvorm | bijzin, tegenwoordige tijd |
| omvormde | bijzin, verleden tijd |
| omvormden | bijzin, verleden tijd |
| omvormend | onvoltooid, deelwoord |
| omvormt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| te hebben omgevormd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen omvormen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vorm om | gebiedende wijs |
| vormde om | verleden tijd |
| waart omgevormd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omgevormd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren omgevormd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omgevormd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was omgevormd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was omgevormd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was omgevormd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd omgevormd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd omgevormd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd omgevormd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden omgevormd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden omgevormd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden omgevormd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt omgevormd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word omgevormd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden omgevormd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden omgevormd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden omgevormd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt omgevormd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt omgevormd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal omgevormd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgevormd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal omgevormd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal omgevormd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgevormd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal omgevormd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgevormd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal omvormen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal omvormen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal omvormen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal omvormen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn omgevormd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn omgevormd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn omgevormd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt omgevormd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou omgevormd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omgevormd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omgevormd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou omgevormd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omgevormd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou omgevormd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omgevormd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omgevormd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omgevormd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou omvormen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou omvormen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou omvormen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou omvormen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) omvormen om zou(dt) vormen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden omgevormd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omgevormd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omgevormd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omgevormd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden omgevormd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden omgevormd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omgevormd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omgevormd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omgevormd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omvormen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden omvormen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden omvormen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden omvormen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt omgevormd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omgevormd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omgevormd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omvormen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt omvormen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen omgevormd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen omgevormd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen omgevormd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omgevormd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen omgevormd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen omgevormd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omgevormd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen omgevormd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen omgevormd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omvormen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen omvormen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen omvormen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen omvormen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen omvormen | bijzin, toekomende tijd |
| zult omgevormd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van om en vormen
Woordfamilie van omvormen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| omgevormd | voltooid deelwoord | omvormen |
| omgevormde | woordvorm | omvormen |
| omvorm | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | omvormen |
| omvormde | subordinate-clause, verleden tijd | omvormen |
| omvormden | subordinate-clause, verleden tijd | omvormen |
| omvorme | with-subordinate-clause | omvormen |
| omvormend | onvoltooid deelwoord | omvormen |
| omvormende | woordvorm | omvormen |
| omvormt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | omvormen |
| vorm om | gebiedende wijs | omvormen |
| vormde om | verleden tijd | omvormen |
| vormden om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | omvormen |
| vorme om | woordvorm | omvormen |
| vormen om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | omvormen |
| vormt om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | omvormen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omvormen zijn vastgelegd.