omverlopen
werkwoordBetekenis
- tegen iets of iemand aanlopen zodat deze valt
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van omverlopen
omverlopenhele werkwoord — liep omververleden tijd enkelvoud — liepen omververleden tijd meervoud — omvergelopenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | loop omver | liep omver |
| jij | loopt omver | liep omver |
| hij, zij, het | loopt omver | liep omver |
| wij | lopen omver | liepen omver |
| jullie | lopen omver | liepen omver |
| zij | lopen omver | liepen omver |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben omvergelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent omvergelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is omvergelopen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was omvergelopen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd omvergelopen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt omvergelopen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal omvergelopen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal omvergelopen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou omvergelopen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou omvergelopen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had omvergelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had omvergelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had omvergelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden omvergelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden omvergelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden omvergelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt omvergelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb omvergelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omvergelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben omvergelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omvergelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben omvergelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt omvergelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omvergelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omvergelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is omvergelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is omvergelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| liep omver | verleden tijd |
| loop omver | gebiedende wijs |
| omver te lopen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omver te zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omver zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
| omver zou lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| omver zouden lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| omver zoudt lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| omver zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omver zullen lopen | bijzin, toekomende tijd |
| omver zult lopen | bijzin, toekomende tijd |
| omvergelopen | verleden tijd, deelwoord |
| omvergelopen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omvergelopen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omvergelopen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omvergelopen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omvergelopen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omvergelopen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omvergelopen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omvergelopen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omvergelopen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omvergelopen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omverliep | bijzin, verleden tijd |
| omverliepen | bijzin, verleden tijd |
| omverliept | bijzin, verleden tijd |
| omverloop | bijzin, tegenwoordige tijd |
| omverloopt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| omverlopend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben omvergelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen omverlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart omvergelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omvergelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren omvergelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omvergelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was omvergelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was omvergelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was omvergelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd omvergelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd omvergelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd omvergelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden omvergelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden omvergelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden omvergelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt omvergelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word omvergelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden omvergelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden omvergelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden omvergelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt omvergelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt omvergelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal omvergelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omvergelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal omvergelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal omvergelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omvergelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal omvergelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omvergelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal omverlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal omverlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal omverlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal omverlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn omvergelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn omvergelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn omvergelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt omvergelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou omvergelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omvergelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omvergelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou omvergelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omvergelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou omvergelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omvergelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omvergelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omvergelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou omverlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou omverlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou omverlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou omverlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) omverlopen omver zou(dt) lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden omvergelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omvergelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omvergelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omvergelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden omvergelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden omvergelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omvergelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omvergelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omvergelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omverlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden omverlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden omverlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden omverlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt omvergelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omvergelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omvergelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omverlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt omverlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen omvergelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen omvergelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen omvergelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omvergelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen omvergelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen omvergelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omvergelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen omvergelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen omvergelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omverlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen omverlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen omverlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen omverlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen omverlopen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van omver en lopen
Woordfamilie van omverlopen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| liep omver | verleden tijd | omverlopen |
| liepen omver | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | omverlopen |
| loop omver | gebiedende wijs | omverlopen |
| loopt omver | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | omverlopen |
| lope omver | woordvorm | omverlopen |
| lopen omver | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | omverlopen |
| omvergelopen | voltooid deelwoord | omverlopen |
| omverliep | subordinate-clause, verleden tijd | omverlopen |
| omverliepen | subordinate-clause, verleden tijd | omverlopen |
| omverloop | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | omverlopen |
| omverloopt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | omverlopen |
| omverlope | with-subordinate-clause | omverlopen |
| omverlopend | onvoltooid deelwoord | omverlopen |
| omverlopende | woordvorm | omverlopen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omverlopen zijn vastgelegd.