omvaren
werkwoordBetekenis
- via een omweg varen
- omver varen
Vervoeging van omvaren
omvarenhele werkwoord — voer omverleden tijd enkelvoud — voeren omverleden tijd meervoud — omgevarenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vaar om | voer om |
| jij | vaart om | voer om |
| hij, zij, het | vaart om | voer om |
| wij | varen om | voeren om |
| jullie | varen om | voeren om |
| zij | varen om | voeren om |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben omgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent omgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is omgevaren | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was omgevaren | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd omgevaren | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt omgevaren | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal omgevaren worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal omgevaren zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou omgevaren worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou omgevaren zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had omgevaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had omgevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had omgevaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden omgevaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden omgevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden omgevaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt omgevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb omgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omgevaren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben omgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben omgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt omgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is omgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is omgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| om te varen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| om te zullen varen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| om zal varen | bijzin, toekomende tijd |
| om zou varen | bijzin, voorwaardelijk |
| om zouden varen | bijzin, voorwaardelijk |
| om zoudt varen | bijzin, voorwaardelijk |
| om zullen varen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| om zullen varen | bijzin, toekomende tijd |
| om zult varen | bijzin, toekomende tijd |
| omgevaren | verleden tijd, deelwoord |
| omgevaren te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omgevaren te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omgevaren te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgevaren te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgevaren te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgevaren worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omgevaren zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omgevaren zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omgevaren zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omgevaren zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omvaar | bijzin, tegenwoordige tijd |
| omvaart | bijzin, tegenwoordige tijd |
| omvarend | onvoltooid, deelwoord |
| omvoer | bijzin, verleden tijd |
| omvoeren | bijzin, verleden tijd |
| te hebben omgevaren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen omvaren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vaar om | gebiedende wijs |
| voer om | verleden tijd |
| waart omgevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omgevaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren omgevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omgevaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was omgevaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was omgevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was omgevaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd omgevaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd omgevaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd omgevaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden omgevaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden omgevaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden omgevaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt omgevaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word omgevaren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden omgevaren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden omgevaren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden omgevaren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt omgevaren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt omgevaren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal omgevaren hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgevaren hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal omgevaren hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal omgevaren worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgevaren worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal omgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal omvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal omvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal omvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal omvaren | bijzin, toekomende tijd |
| zijn omgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn omgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn omgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt omgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou omgevaren hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omgevaren hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omgevaren hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou omgevaren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omgevaren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou omgevaren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou omvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou omvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou omvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou omvaren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) omvaren om zou(dt) varen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden omgevaren hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omgevaren hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omgevaren hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omgevaren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden omgevaren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden omgevaren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden omvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden omvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden omvaren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt omgevaren hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omgevaren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt omvaren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen omgevaren hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen omgevaren hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen omgevaren hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omgevaren worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen omgevaren worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen omgevaren worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen omgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen omgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omvaren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen omvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen omvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen omvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen omvaren | bijzin, toekomende tijd |
| zult omgevaren hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van om en varen
Woordfamilie van omvaren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| omgevaren | voltooid deelwoord | omvaren |
| omvaar | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | omvaren |
| omvare | with-subordinate-clause | omvaren |
| omvarend | onvoltooid deelwoord | omvaren |
| omvarende | woordvorm | omvaren |
| omvoer | subordinate-clause, verleden tijd | omvaren |
| omvoeren | subordinate-clause, verleden tijd | omvaren |
| vaar om | gebiedende wijs | omvaren |
| vaart om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | omvaren |
| vare om | woordvorm | omvaren |
| varen om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | omvaren |
| voer om | verleden tijd | omvaren |
| voeren om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | omvaren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omvaren zijn vastgelegd.