omtrekken
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈɔmtrɛkə(n)Betekenis
- iets uit een staande positie brengen door het met een krachtige beweging naar je toe te halen
- neerhalen
- omverwerpen
- overhalen
- er de randen van aangeven, er de contouren van markeren
- eromheen aangebracht zijn
- een draaiende beweging veroorzaken door iets met enige kracht naar je toe te halen
- verwisselen door aan- en uitdoen (van kousen en schoeisel, om te voorkomen dat ze ongelijkmatig slijten)
- ergens omheen gaan
- rondreizen
- contouren
- (ken) (het meervoud is hier vooral versterkend bedoeld)
- niet uitgewerkte weergave, contouren, schets
- troepen zo langs een tegenstander heen verplaatsen dat het mogelijk wordt zijn verbindingen af te snijden of hem van achteren aan te vallen
- omringen, hullen
- afbakenen
Hoe spreek je omtrekken uit?
/ˈɔmtrɛkən/
Omtrekken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| m | maan |
| t | tak |
| r | rood |
| ɛ | bed |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van omtrekken
omtrekkenhele werkwoord — omgetrokkenvoltooid deelwoord
Alle 3 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] ómtrekken | canonical |
| omgetrokken | verleden tijd, deelwoord |
| trok om | verleden tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord omtrek
- meervoud van het zelfstandig naamwoord omtrek
- meervoud van het zelfstandig naamwoord omtrek
- meervoud van het zelfstandig naamwoord omtrek
Vervoeging van omtrekken
omtrekkenhele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] omtrékken | canonical |
Woordfamilie van omtrekken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| omgetrokken | voltooid deelwoord | omtrekken |
| omtrekke | with-subordinate-clause | omtrekken |
| omtrekt | with-subordinate-clause | omtrekken |
| omtrok | woordvorm | omtrekken |
| omtrokken | woordvorm | omtrekken |
| trek om | woordvorm | omtrekken |
| trekke om | woordvorm | omtrekken |
| trekken om | woordvorm | omtrekken |
| trekt om | woordvorm | omtrekken |
| trok om | verleden tijd | omtrekken |
| trokken om | woordvorm | omtrekken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omtrekken zijn vastgelegd.