omlaaggaan
werkwoord /ɔm'laːxan/Betekenis
- naar beneden gaan
Hoe spreek je omlaaggaan uit?
/ɔmˈlaxan/
Omlaaggaan bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| m | maan |
| l | land |
| a | maan |
| x | acht |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van omlaaggaan
omlaaggaanhele werkwoord — ging omlaagverleden tijd enkelvoud — gingen omlaagverleden tijd meervoud — omlaaggegaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ga omlaag | ging omlaag |
| jij | gaat omlaag | ging omlaag |
| hij, zij, het | gaat omlaag | ging omlaag |
| wij | gaan omlaag | gingen omlaag |
| jullie | gaan omlaag | gingen omlaag |
| zij | gaan omlaag | gingen omlaag |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben omlaaggegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent omlaaggegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| ga omlaag | gebiedende wijs |
| ging omlaag | verleden tijd |
| is omlaaggegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is omlaaggegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| omlaag te gaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omlaag te zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omlaag zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
| omlaag zou gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| omlaag zouden gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| omlaag zoudt gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| omlaag zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omlaag zullen gaan | bijzin, toekomende tijd |
| omlaag zult gaan | bijzin, toekomende tijd |
| omlaagga | bijzin, tegenwoordige tijd |
| omlaaggaand | onvoltooid, deelwoord |
| omlaaggaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| omlaaggegaan | verleden tijd, deelwoord |
| omlaaggegaan te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omlaaggegaan zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omlaagging | bijzin, verleden tijd |
| omlaaggingen | bijzin, verleden tijd |
| te zijn omlaaggegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen omlaaggaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart omlaaggegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omlaaggegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren omlaaggegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omlaaggegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was omlaaggegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was omlaaggegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was omlaaggegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal omlaaggaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal omlaaggaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal omlaaggaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal omlaaggaan | bijzin, toekomende tijd |
| zal omlaaggegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omlaaggegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal omlaaggegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn omlaaggegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn omlaaggegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn omlaaggegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn omlaaggegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt omlaaggegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou omlaaggaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou omlaaggaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou omlaaggaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou omlaaggaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou omlaaggegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omlaaggegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omlaaggegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) omlaaggaan omlaag zou(dt) gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden omlaaggaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden omlaaggaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden omlaaggaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden omlaaggaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden omlaaggegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omlaaggegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omlaaggegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt omlaaggaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt omlaaggaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt omlaaggegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen omlaaggaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen omlaaggaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen omlaaggaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen omlaaggaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen omlaaggaan | bijzin, toekomende tijd |
| zullen omlaaggegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen omlaaggegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen omlaaggegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult omlaaggaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult omlaaggaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult omlaaggegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal omlaaggaan omlaag zult/zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van omlaag bw en gaan ww
Woordfamilie van omlaaggaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ga omlaag | gebiedende wijs | omlaaggaan |
| gaan omlaag | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | omlaaggaan |
| gaat omlaag | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | omlaaggaan |
| ging omlaag | verleden tijd | omlaaggaan |
| gingen omlaag | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | omlaaggaan |
| omlaagga | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | omlaaggaan |
| omlaaggaand | onvoltooid deelwoord | omlaaggaan |
| omlaaggaande | woordvorm | omlaaggaan |
| omlaaggaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | omlaaggaan |
| omlaaggegaan | voltooid deelwoord | omlaaggaan |
| omlaagging | subordinate-clause, verleden tijd | omlaaggaan |
| omlaaggingen | subordinate-clause, verleden tijd | omlaaggaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omlaaggaan zijn vastgelegd.