offreren
werkwoordBetekenis
- aanbieden, specifiek het aanbieden van een dienst of product door een bedrijf
Vervoeging van offreren
offrerenhele werkwoord — offreerdeverleden tijd enkelvoud — offreerdenverleden tijd meervoud — geoffreerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | offreer | offreerde |
| jij | offreert | offreerde |
| hij, zij, het | offreert | offreerde |
| wij | offreren | offreerden |
| jullie | offreren | offreerden |
| zij | offreren | offreerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geoffreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geoffreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geoffreerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geoffreerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geoffreerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geoffreerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geoffreerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geoffreerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geoffreerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geoffreerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geoffreerd | verleden tijd, deelwoord |
| geoffreerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geoffreerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geoffreerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geoffreerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geoffreerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geoffreerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geoffreerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geoffreerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geoffreerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geoffreerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geoffreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geoffreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geoffreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geoffreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geoffreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geoffreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geoffreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geoffreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geoffreerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geoffreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geoffreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geoffreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geoffreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geoffreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geoffreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geoffreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geoffreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| offreer | gebiedende wijs |
| offreerde | verleden tijd |
| offrere | aanvoegende wijs |
| offrerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geoffreerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te offreren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen offreren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geoffreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geoffreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geoffreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geoffreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geoffreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geoffreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geoffreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geoffreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geoffreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geoffreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geoffreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geoffreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geoffreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geoffreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geoffreerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geoffreerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geoffreerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geoffreerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geoffreerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geoffreerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geoffreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geoffreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geoffreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geoffreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geoffreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geoffreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geoffreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal offreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal offreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal offreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geoffreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geoffreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geoffreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geoffreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geoffreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geoffreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geoffreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geoffreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geoffreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geoffreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geoffreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geoffreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geoffreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou offreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou offreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou offreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geoffreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geoffreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geoffreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geoffreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geoffreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geoffreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geoffreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geoffreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geoffreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden offreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden offreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden offreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geoffreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geoffreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geoffreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt offreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geoffreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geoffreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geoffreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geoffreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geoffreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geoffreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geoffreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geoffreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geoffreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen offreren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen offreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen offreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen offreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geoffreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geoffreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geoffreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult offreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘aanbieden’ voor het eerst aangetroffen in 1562
Woordfamilie van offreren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geoffreerd | voltooid deelwoord | offreren |
| geoffreerde | woordvorm | offreren |
| offreer | gebiedende wijs | offreren |
| offreerde | verleden tijd | offreren |
| offreerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | offreren |
| offreert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | offreren |
| offrere | aanvoegende wijs | offreren |
| offrerend | onvoltooid deelwoord | offreren |
| offrerende | woordvorm | offreren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van offreren zijn vastgelegd.