officiëren
werkwoordBetekenis
- als priester dienstdoen
Vervoeging van officiëren
officiërenhele werkwoord — officieerdeverleden tijd enkelvoud — officieerdenverleden tijd meervoud — geofficieerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | officieer | officieerde |
| jij | officieert | officieerde |
| hij, zij, het | officieert | officieerde |
| wij | officiëren | officieerden |
| jullie | officiëren | officieerden |
| zij | officiëren | officieerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geofficieerd | verleden tijd, deelwoord |
| geofficieerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geofficieerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geofficieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geofficieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geofficieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geofficieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geofficieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geofficieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geofficieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geofficieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geofficieerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geofficieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geofficieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geofficieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geofficieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geofficieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geofficieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| officieer | gebiedende wijs |
| officieerde | verleden tijd |
| officiëre | aanvoegende wijs |
| officiërend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geofficieerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te officiëren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen officiëren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geofficieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geofficieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geofficieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal officiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal officiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal officiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geofficieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geofficieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geofficieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou officiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou officiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou officiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geofficieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geofficieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geofficieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden officiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden officiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden officiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geofficieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt officiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geofficieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geofficieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geofficieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen officiëren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen officiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen officiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen officiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geofficieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult officiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘als priester dienst doen’ voor het eerst aangetroffen in 1819
Woordfamilie van officiëren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geofficieerd | voltooid deelwoord | officiëren |
| officieer | gebiedende wijs | officiëren |
| officieerde | verleden tijd | officiëren |
| officieerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | officiëren |
| officieert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | officiëren |
| officiëre | aanvoegende wijs | officiëren |
| officiërend | onvoltooid deelwoord | officiëren |
| officiërende | woordvorm | officiëren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van officiëren zijn vastgelegd.