offer
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈɔfərBetekenis
- een gave aan een godheid
- alles wat men met zelfverloochening afstaat
- een zet waarmee men bewust een damschijf of schaakstuk laat slaan om een gunstigere positie op het bord te krijgen
- aanbieden, bieden.
- offerte
- aanbod
Hoe spreek je offer uit?
/ˈɔfər/
Offer bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| f | fiets |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| offers | meervoud |
| offertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| offertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van offeren
- gebiedende wijs van offeren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van offeren
Vervoeging van offer
offerhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘gave (aan godheid)’ voor het eerst aangetroffen in 1100
Woordfamilie van offer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| offers | meervoud | offer |
| offertje | verkleinwoord | offer |
| offertjes | verkleinwoord meervoud | offer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van offer zijn vastgelegd.