koffer
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈkɔfərBetekenis
- een draagbare bergruimte waarin spullen kunnen worden meegenomen tijdens het reizen
Hoe spreek je koffer uit?
/ˈkɔfər/
Koffer bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɔ | bot |
| f | fiets |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- draagbare bergruimte van stevig materiaal met een handvat, waarin spullen kunnen worden meegenomen tijdens het reizen
- houten opbergmeubel met een deksel obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| koffers | meervoud |
| koffertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| koffertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kofferen
- gebiedende wijs van kofferen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kofferen
Vervoeging van koffer
kofferhele werkwoord
Herkomst
via Middelnederlands coffer van Frans coffre, in de betekenis van ‘reistas’ voor het eerst aangetroffen in 1300; cognaat met Latijn cophinus "korf", Oudgrieks κόφινος (kófinos) "korf", Arabisch قُفَّة zn (quffa) "korf", Middelhoogduits kober en Duits Kober "korf, handtas"
Woordfamilie van koffer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| koffers | meervoud | koffer |
| koffertje | verkleinwoord | koffer |
| koffertjes | verkleinwoord meervoud | koffer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van koffer zijn vastgelegd.