obstrueren
werkwoordBetekenis
- een factor vormen die een gebeurtenis of handeling (bijna) onmogelijk maakt
- de door- of voortgang belemmeren
Vervoeging van obstrueren
obstruerenhele werkwoord — obstrueerdeverleden tijd enkelvoud — obstrueerdenverleden tijd meervoud — geobstrueerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | obstrueer | obstrueerde |
| jij | obstrueert | obstrueerde |
| hij, zij, het | obstrueert | obstrueerde |
| wij | obstrueren | obstrueerden |
| jullie | obstrueren | obstrueerden |
| zij | obstrueren | obstrueerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geobstrueerd | verleden tijd, deelwoord |
| geobstrueerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geobstrueerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geobstrueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geobstrueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geobstrueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geobstrueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geobstrueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geobstrueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geobstrueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geobstrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geobstrueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geobstrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geobstrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geobstrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geobstrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geobstrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geobstrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| obstrueer | gebiedende wijs |
| obstrueerde | verleden tijd |
| obstruere | aanvoegende wijs |
| obstruerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geobstrueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te obstrueren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen obstrueren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geobstrueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geobstrueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geobstrueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal obstrueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal obstrueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal obstrueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geobstrueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geobstrueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geobstrueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou obstrueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou obstrueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou obstrueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geobstrueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geobstrueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geobstrueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden obstrueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden obstrueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden obstrueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geobstrueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt obstrueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geobstrueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geobstrueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geobstrueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen obstrueren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen obstrueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen obstrueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen obstrueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geobstrueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult obstrueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse obstruer (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van obstrueren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geobstrueerd | voltooid deelwoord | obstrueren |
| geobstrueerde | woordvorm | obstrueren |
| obstrueer | gebiedende wijs | obstrueren |
| obstrueerde | verleden tijd | obstrueren |
| obstrueerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | obstrueren |
| obstrueert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | obstrueren |
| obstruere | aanvoegende wijs | obstrueren |
| obstruerend | onvoltooid deelwoord | obstrueren |
| obstruerende | woordvorm | obstrueren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van obstrueren zijn vastgelegd.