normeren
werkwoordBetekenis
- een norm vaststellen voor
Vervoeging van normeren
normerenhele werkwoord — normeerdeverleden tijd enkelvoud — normeerdenverleden tijd meervoud — genormeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | normeer | normeerde |
| jij | normeert | normeerde |
| hij, zij, het | normeert | normeerde |
| wij | normeren | normeerden |
| jullie | normeren | normeerden |
| zij | normeren | normeerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben genormeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent genormeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is genormeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was genormeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd genormeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt genormeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal genormeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal genormeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou genormeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou genormeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| genormeerd | verleden tijd, deelwoord |
| genormeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| genormeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| genormeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| genormeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| genormeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| genormeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| genormeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| genormeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| genormeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| genormeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had genormeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had genormeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had genormeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden genormeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden genormeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden genormeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt genormeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb genormeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben genormeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben genormeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben genormeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben genormeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt genormeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft genormeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft genormeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is genormeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is genormeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| normeer | gebiedende wijs |
| normeerde | verleden tijd |
| normere | aanvoegende wijs |
| normerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben genormeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te normeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen normeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart genormeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren genormeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren genormeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren genormeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was genormeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was genormeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was genormeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd genormeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd genormeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd genormeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden genormeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden genormeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden genormeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt genormeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word genormeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden genormeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden genormeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden genormeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt genormeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt genormeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal genormeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal genormeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal genormeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal genormeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal genormeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal genormeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal genormeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal normeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal normeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal normeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn genormeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn genormeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn genormeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt genormeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou genormeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou genormeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou genormeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou genormeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou genormeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou genormeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou genormeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou genormeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou genormeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou normeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou normeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou normeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden genormeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden genormeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden genormeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden genormeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden genormeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden genormeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden genormeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden genormeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden genormeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden normeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden normeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden normeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt genormeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt genormeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt genormeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt normeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen genormeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen genormeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen genormeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen genormeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen genormeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen genormeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen genormeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen genormeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen genormeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen normeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen normeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen normeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen normeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult genormeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult genormeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult genormeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult normeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse normer met het achtervoegsel -eren
Woordfamilie van normeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| genormeerd | voltooid deelwoord | normeren |
| normeer | gebiedende wijs | normeren |
| normeerde | verleden tijd | normeren |
| normeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | normeren |
| normeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | normeren |
| normere | aanvoegende wijs | normeren |
| normerend | onvoltooid deelwoord | normeren |
| normerende | woordvorm | normeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van normeren zijn vastgelegd.