Naar de inhoud

normaliseren

terug brengen naar wat normaal is, herstellen

normaliseren

werkwoord

Betekenis

  1. terug brengen naar wat normaal is, herstellen
  2. zorgen dat bij een geluidsopname het gehele dynamische bereik wordt gebruikt
  3. standaardiseren

Vervoeging van normaliseren

normaliserenhele werkwoord — normaliseerdeverleden tijd enkelvoud — normaliseerdenverleden tijd meervoud — genormaliseerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik normaliseer normaliseerde
jij normaliseert normaliseerde
hij, zij, het normaliseert normaliseerde
wij normaliseren normaliseerden
jullie normaliseren normaliseerden
zij normaliseren normaliseerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben genormaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent genormaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is genormaliseerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was genormaliseerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd genormaliseerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt genormaliseerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal genormaliseerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal genormaliseerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou genormaliseerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou genormaliseerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
genormaliseerd verleden tijd, deelwoord
genormaliseerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
genormaliseerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
genormaliseerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
genormaliseerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
genormaliseerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
genormaliseerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
genormaliseerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
genormaliseerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
genormaliseerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
genormaliseerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had genormaliseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had genormaliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had genormaliseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden genormaliseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden genormaliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden genormaliseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt genormaliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb genormaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben genormaliseerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben genormaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben genormaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben genormaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt genormaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft genormaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft genormaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is genormaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is genormaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
normaliseer gebiedende wijs
normaliseerde verleden tijd
normalisere aanvoegende wijs
normaliserend onvoltooid, deelwoord
te hebben genormaliseerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te normaliseren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen normaliseren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart genormaliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren genormaliseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren genormaliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren genormaliseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was genormaliseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was genormaliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was genormaliseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd genormaliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd genormaliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd genormaliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden genormaliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden genormaliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden genormaliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt genormaliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word genormaliseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden genormaliseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden genormaliseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden genormaliseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt genormaliseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt genormaliseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal genormaliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal genormaliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal genormaliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal genormaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal genormaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal genormaliseerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal genormaliseerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal normaliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal normaliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal normaliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn genormaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn genormaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn genormaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt genormaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou genormaliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou genormaliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou genormaliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou genormaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou genormaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou genormaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou genormaliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou genormaliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou genormaliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou normaliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou normaliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou normaliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden genormaliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden genormaliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden genormaliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden genormaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden genormaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden genormaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden genormaliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden genormaliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden genormaliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden normaliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden normaliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden normaliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt genormaliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt genormaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt genormaliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt normaliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen genormaliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen genormaliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen genormaliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen genormaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen genormaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen genormaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen genormaliseerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen genormaliseerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen genormaliseerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen normaliseren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen normaliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen normaliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen normaliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult genormaliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult genormaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult genormaliseerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult normaliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afleiding van normaal met het achtervoegsel -iseren

Woordfamilie van normaliseren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
genormaliseerd voltooid deelwoord normaliseren
genormaliseerde woordvorm normaliseren
normaliseer gebiedende wijs normaliseren
normaliseerde verleden tijd normaliseren
normaliseerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon normaliseren
normaliseert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon normaliseren
normalisere aanvoegende wijs normaliseren
normaliserend onvoltooid deelwoord normaliseren
normaliserende woordvorm normaliseren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van normaliseren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over normaliseren

Wat betekent normaliseren?
Normaliseren is een werkwoord. Het woord betekent: terug brengen naar wat normaal is, herstellen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je normaliseren?
Je vervoegt normaliseren als volgt: de tegenwoordige tijd is normaliseer, de verleden tijd is normaliseerde en het voltooid deelwoord is genormaliseerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord normaliseren is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. N 1
  2. O 1
  3. R 2
  4. M 3
  5. A 1
  6. L 3
  7. I 1
  8. S 2
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

normaliseren levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. N 1
  2. O 1
  3. R 2
  4. M 3
  5. A 1
  6. L 3
  7. I 2
  8. S 2
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 20 zonder bonus
  14. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

normaliseren in het kort

normaliseren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van normaliseren zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort normaliseren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

normaliseren: terug brengen naar wat normaal is, herstellen
Deel normaliseren — standaardnederlands.nl