norm
zelfstandig naamwoordBetekenis
- stelsel van meestal ongeschreven gedragsregels, gebaseerd op een stelsel van waarden
- regel voor de normalisatie
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- regel voor de normalisatie, een beschrijving van de manier waarop tewerk moet worden gegaan
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| normen | meervoud |
| normpje | verkleinwoord, enkelvoud |
| normpjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘richtsnoer’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1889
Woordfamilie van norm
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| normen | meervoud | norm |
| normpje | verkleinwoord | norm |
| normpjes | verkleinwoord meervoud | norm |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van norm zijn vastgelegd.