noodzaken
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- dwingen, verplichten
Vervoeging van noodzaken
noodzakenhele werkwoord — noodzaakteverleden tijd enkelvoud — noodzaaktenverleden tijd meervoud — genoodzaaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | noodzaak | noodzaakte |
| jij | noodzaakt | noodzaakte |
| hij, zij, het | noodzaakt | noodzaakte |
| wij | noodzaken | noodzaakten |
| jullie | noodzaken | noodzaakten |
| zij | noodzaken | noodzaakten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| genoodzaakt | verleden tijd, deelwoord |
| genoodzaakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| genoodzaakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had genoodzaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had genoodzaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had genoodzaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden genoodzaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden genoodzaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden genoodzaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt genoodzaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb genoodzaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben genoodzaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben genoodzaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben genoodzaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben genoodzaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt genoodzaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft genoodzaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft genoodzaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| noodzaak | gebiedende wijs |
| noodzaakte | verleden tijd |
| noodzake | aanvoegende wijs |
| noodzakend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben genoodzaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te noodzaken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen noodzaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal genoodzaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal genoodzaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal genoodzaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal noodzaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal noodzaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal noodzaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou genoodzaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou genoodzaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou genoodzaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou noodzaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou noodzaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou noodzaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden genoodzaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden genoodzaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden genoodzaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden noodzaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden noodzaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden noodzaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt genoodzaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt noodzaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen genoodzaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen genoodzaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen genoodzaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen noodzaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen noodzaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen noodzaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen noodzaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult genoodzaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult noodzaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord noodzaak
Herkomst
afgeleid van noodzaak met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van noodzaken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| genoodzaakt | voltooid deelwoord | noodzaken |
| noodzaakt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | noodzaken |
| noodzaakte | verleden tijd | noodzaken |
| noodzaakten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | noodzaken |
| noodzake | aanvoegende wijs | noodzaken |
| noodzakend | onvoltooid deelwoord | noodzaken |
| noodzakende | woordvorm | noodzaken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van noodzaken zijn vastgelegd.