noodzaak
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈnotzak/Betekenis
- iets moeten hebben voor vaak praktische of medische redenen
Hoe spreek je noodzaak uit?
/ˈnotzak/
Noodzaak bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| n | nek |
| o | boot |
| t | tak |
| z | zon |
| a | maan |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| noodzaakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| noodzaakjes | verkleinwoord, meervoud |
| noodzaken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van noodzaken
- gebiedende wijs van noodzaken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van noodzaken
Vervoeging van noodzaak
noodzaakhele werkwoord
Herkomst
samenstelling van nood en zaak
Woordfamilie van noodzaak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| noodzaakje | verkleinwoord | noodzaak |
| noodzaakjes | verkleinwoord meervoud | noodzaak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van noodzaak zijn vastgelegd.