Naar de inhoud

noden

verleiden tot, vragen om

noden is meer dan één woord

noden

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. verleiden tot, vragen om
  2. uitnodigen

Vervoeging van noden

nodenhele werkwoord — nooddeverleden tijd enkelvoud — nooddenverleden tijd meervoud — genoodvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik nood noodde
jij noodt noodde
hij, zij, het noodt noodde
wij noden noodden
jullie noden noodden
zij noden noodden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben genood voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent genood voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is genood impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was genood impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd genood impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt genood impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal genood worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal genood zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou genood worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou genood zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
genood verleden tijd, deelwoord
genood te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
genood te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
genood te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
genood te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
genood te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
genood worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
genood zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
genood zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
genood zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
genood zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had genood voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had genood voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had genood voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden genood voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden genood voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden genood voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt genood voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb genood voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben genood actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben genood voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben genood voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben genood voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt genood voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft genood voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft genood voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is genood voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is genood voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
node aanvoegende wijs
nodend onvoltooid, deelwoord
nood gebiedende wijs
noodde verleden tijd
te hebben genood actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te noden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen noden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart genood voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren genood voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren genood voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren genood voltooid, verleden tijd, derde persoon
was genood voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was genood voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was genood voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd genood enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd genood enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd genood enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden genood enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden genood enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden genood enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt genood enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word genood enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden genood enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden genood enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden genood enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt genood enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt genood enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal genood hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal genood hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal genood hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal genood worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal genood worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal genood zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal genood zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal noden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal noden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal noden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn genood voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn genood voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn genood voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt genood voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou genood hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou genood hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou genood hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou genood worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou genood worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou genood worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou genood zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou genood zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou genood zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou noden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou noden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou noden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden genood hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden genood hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden genood hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden genood worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden genood worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden genood worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden genood zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden genood zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden genood zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden noden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden noden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden noden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt genood hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt genood worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt genood zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt noden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen genood hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen genood hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen genood hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen genood worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen genood worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen genood worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen genood zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen genood zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen genood zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen noden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen noden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen noden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen noden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult genood hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult genood worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult genood zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult noden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord nood

Herkomst

In de betekenis van ‘verzoeken’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Woordfamilie van noden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
genode woordvorm noden
genood voltooid deelwoord noden
nodend onvoltooid deelwoord noden
nodende woordvorm noden
noodde verleden tijd noden
noodden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon noden
noodt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon noden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van noden zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over noden

Wat is de betekenis van noden?
Noden is een werkwoord. De betekenis is: verleiden tot, vragen om. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik noden?
Zo vervoeg je noden zo: de tegenwoordige tijd is nood, de verleden tijd is noodde en het voltooid deelwoord is genood. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord noden is 6 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. N 1
  2. O 1
  3. D 2
  4. E 1
  5. N 1
  6. 6 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

noden levert met Wordfeud minimaal 6 en maximaal 30 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. N 1
  2. O 1
  3. D 2
  4. E 1
  5. N 1
  6. 6 zonder bonus
  7. 30 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (D) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

noden telt 5 letters, waarvan 4 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 6.487 woorden van 5 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

noden in het kort

noden is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van noden staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort noden bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

noden: verleiden tot, vragen om
Deel noden — standaardnederlands.nl