noden
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- verleiden tot, vragen om
- uitnodigen
Vervoeging van noden
nodenhele werkwoord — nooddeverleden tijd enkelvoud — nooddenverleden tijd meervoud — genoodvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | nood | noodde |
| jij | noodt | noodde |
| hij, zij, het | noodt | noodde |
| wij | noden | noodden |
| jullie | noden | noodden |
| zij | noden | noodden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben genood | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent genood | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is genood | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was genood | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd genood | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt genood | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal genood worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal genood zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou genood worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou genood zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| genood | verleden tijd, deelwoord |
| genood te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| genood te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| genood te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| genood te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| genood te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| genood worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| genood zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| genood zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| genood zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| genood zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had genood | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had genood | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had genood | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden genood | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden genood | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden genood | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt genood | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb genood | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben genood | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben genood | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben genood | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben genood | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt genood | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft genood | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft genood | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is genood | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is genood | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| node | aanvoegende wijs |
| nodend | onvoltooid, deelwoord |
| nood | gebiedende wijs |
| noodde | verleden tijd |
| te hebben genood | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te noden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen noden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart genood | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren genood | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren genood | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren genood | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was genood | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was genood | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was genood | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd genood | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd genood | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd genood | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden genood | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden genood | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden genood | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt genood | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word genood | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden genood | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden genood | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden genood | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt genood | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt genood | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal genood hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal genood hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal genood hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal genood worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal genood worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal genood zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal genood zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal noden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal noden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal noden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn genood | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn genood | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn genood | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt genood | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou genood hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou genood hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou genood hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou genood worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou genood worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou genood worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou genood zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou genood zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou genood zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou noden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou noden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou noden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden genood hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden genood hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden genood hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden genood worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden genood worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden genood worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden genood zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden genood zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden genood zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden noden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden noden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden noden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt genood hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt genood worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt genood zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt noden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen genood hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen genood hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen genood hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen genood worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen genood worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen genood worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen genood zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen genood zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen genood zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen noden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen noden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen noden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen noden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult genood hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult genood worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult genood zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult noden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord nood
Herkomst
In de betekenis van ‘verzoeken’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van noden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| genode | woordvorm | noden |
| genood | voltooid deelwoord | noden |
| nodend | onvoltooid deelwoord | noden |
| nodende | woordvorm | noden |
| noodde | verleden tijd | noden |
| noodden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | noden |
| noodt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | noden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van noden zijn vastgelegd.