niëlleren
werkwoordBetekenis
- een edelsmeedtechniek waarbij de in het metaal -bij voorkeur zilver- gegraveerde lijnen met zwartsel worden opgevuld
Vervoeging van niëlleren
niëllerenhele werkwoord — niëlleerdeverleden tijd enkelvoud — niëlleerdenverleden tijd meervoud — geniëlleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | niëlleer | niëlleerde |
| jij | niëlleert | niëlleerde |
| hij, zij, het | niëlleert | niëlleerde |
| wij | niëlleren | niëlleerden |
| jullie | niëlleren | niëlleerden |
| zij | niëlleren | niëlleerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geniëlleerd | verleden tijd, deelwoord |
| geniëlleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geniëlleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geniëlleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geniëlleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geniëlleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geniëlleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geniëlleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geniëlleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geniëlleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geniëlleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geniëlleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geniëlleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geniëlleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geniëlleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geniëlleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geniëlleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geniëlleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| niëlleer | gebiedende wijs |
| niëlleerde | verleden tijd |
| niëllere | aanvoegende wijs |
| niëllerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geniëlleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te niëlleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen niëlleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geniëlleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geniëlleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geniëlleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal niëlleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal niëlleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal niëlleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geniëlleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geniëlleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geniëlleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou niëlleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou niëlleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou niëlleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geniëlleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geniëlleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geniëlleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden niëlleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden niëlleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden niëlleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geniëlleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt niëlleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geniëlleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geniëlleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geniëlleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen niëlleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen niëlleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen niëlleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen niëlleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geniëlleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult niëlleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse nieller (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van niëlleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geniëlleerd | voltooid deelwoord | niëlleren |
| geniëlleerde | woordvorm | niëlleren |
| niëlleer | gebiedende wijs | niëlleren |
| niëlleerde | verleden tijd | niëlleren |
| niëlleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | niëlleren |
| niëlleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | niëlleren |
| niëllere | aanvoegende wijs | niëlleren |
| niëllerend | onvoltooid deelwoord | niëlleren |
| niëllerende | woordvorm | niëlleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van niëlleren zijn vastgelegd.