nippen
werkwoordBetekenis
- iets met kleine slokjes drinken
- ~ aan ergens met kleine slokjes van drinken
- nippen
Vervoeging van nippen
nippenhele werkwoord — nipteverleden tijd enkelvoud — niptenverleden tijd meervoud — geniptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | nip | nipte |
| jij | nipt | nipte |
| hij, zij, het | nipt | nipte |
| wij | nippen | nipten |
| jullie | nippen | nipten |
| zij | nippen | nipten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| genipt | verleden tijd, deelwoord |
| genipt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| genipt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had genipt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had genipt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had genipt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden genipt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden genipt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden genipt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt genipt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb genipt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben genipt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben genipt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben genipt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben genipt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt genipt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft genipt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft genipt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| nip | gebiedende wijs |
| nippe | aanvoegende wijs |
| nippend | onvoltooid, deelwoord |
| nipte | verleden tijd |
| te hebben genipt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te nippen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen nippen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal genipt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal genipt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal genipt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal nippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal nippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal nippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou genipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou genipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou genipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou nippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou nippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou nippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden genipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden genipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden genipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden nippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden nippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden nippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt genipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt nippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen genipt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen genipt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen genipt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen nippen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen nippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen nippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen nippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult genipt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult nippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘een teugje drinken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1644
Woordfamilie van nippen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| genipt | voltooid deelwoord | nippen |
| genipte | woordvorm | nippen |
| nip | gebiedende wijs | nippen |
| nippe | aanvoegende wijs | nippen |
| nippend | onvoltooid deelwoord | nippen |
| nippende | woordvorm | nippen |
| nipten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | nippen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nippen zijn vastgelegd.