Naar de inhoud

nestelen

het bouwen van een nest en het grootbrengen van jongen erin, gewoonlijk van vogels

nestelen

werkwoord /ˈnɛstələ(n)/

Betekenis

  1. het bouwen van een nest en het grootbrengen van jongen erin, gewoonlijk van vogels
  2. zich ~: plaatsnemen en het zich behaaglijk maken
  3. nestelen

Hoe spreek je nestelen uit?

/ˈnɛstələn/

Nestelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈnɛstələn/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
n nek
ɛ bed
s sok
t tak
ə de
l land
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van nestelen

nestelenhele werkwoord — nesteldeverleden tijd enkelvoud — nesteldenverleden tijd meervoud — genesteldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik nestel nestelde
jij nestelt nestelde
hij, zij, het nestelt nestelde
wij nestelen nestelden
jullie nestelen nestelden
zij nestelen nestelden
Alle 89 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
genesteld verleden tijd, deelwoord
genesteld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
genesteld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had genesteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had genesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had genesteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden genesteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden genesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden genesteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt genesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb genesteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben genesteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben genesteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben genesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben genesteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt genesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft genesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft genesteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
nestel gebiedende wijs
nestel me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
nestel u/je , nestelt je gebiedende wijs
nestelde verleden tijd
nestelde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
nestelde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
nestelde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
nestelde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
nestelde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
nestelde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
nestelde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
nestelden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
nestelden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
nestelden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
nestele aanvoegende wijs
nestele zich aanvoegende wijs
nestelen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
nestelen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
nestelen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
nestelend onvoltooid, deelwoord
nestelt je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
nestelt u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
nestelt u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
nestelt zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
nestelt zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
nestelt zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
te hebben genesteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te nestelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen nestelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal genesteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal genesteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal genesteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me nestelen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal nestelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal nestelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal nestelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich nestelen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je nestelen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich genesteld hebben verleden tijd
zich nestelend onvoltooid, deelwoord
zou genesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou genesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou genesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou nestelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou nestelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou nestelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden genesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden genesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden genesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden nestelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden nestelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden nestelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt genesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt nestelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen genesteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen genesteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen genesteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen je nestelen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen nestelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen nestelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen nestelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen nestelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen ons nestelen eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen zich nestelen derde persoon, toekomende tijd, meervoud
zult genesteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult nestelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult u nestelen tweede persoon
zult u nestelen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult zich/u nestelen tweede persoon
zult zich/u nestelen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud

Herkomst

van het Middelnederlands nestelen , maar via de wortels in het Protogermaans op te vatten als frequentatief gevormd uit nesten met het achtervoegsel -el

Woordfamilie van nestelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
genesteld voltooid deelwoord nestelen
nestelde verleden tijd nestelen
nestelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon nestelen
nestele aanvoegende wijs nestelen
nestelend onvoltooid deelwoord nestelen
nestelende woordvorm nestelen
nestelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon nestelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nestelen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over nestelen

Hoe spreek ik nestelen uit?
Zo spreek je nestelen uit: /ˈnɛstələ(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van nestelen?
Nestelen is een werkwoord. De betekenis is: het bouwen van een nest en het grootbrengen van jongen erin, gewoonlijk van vogels. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik nestelen?
Zo vervoeg je nestelen zo: de tegenwoordige tijd is nestel, de verleden tijd is nestelde en het voltooid deelwoord is genesteld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord nestelen is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. N 1
  2. E 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

nestelen levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 54 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. N 1
  2. E 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 12 zonder bonus
  10. 54 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

nestelen in het kort

nestelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van nestelen staan er 60 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort nestelen bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

nestelen: het bouwen van een nest en het grootbrengen van jongen erin, gewoonlijk van vogels
Deel nestelen — standaardnederlands.nl