nestel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een metalen of kunststoffen ringetje of buisje aan het eind van een veter dat rafelen tegengaat
zelfstandig naamwoord — masculine
- snoervormig stuk drop
- ereteken bij de krijgsmacht
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| nestels | meervoud |
| nesteltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| nesteltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nestelen
- gebiedende wijs van nestelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nestelen
Vervoeging van nestel
nestelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘veter, schoudersieraad’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1380
Woordfamilie van nestel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| nestels | meervoud | nestel |
| nesteltje | verkleinwoord | nestel |
| nesteltjes | verkleinwoord meervoud | nestel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nestel zijn vastgelegd.