neger
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈneɣərBetekenis
- persoon uit Afrika bezuiden de Sahara
- (extensie) persoon wiens voorouders (gedeeltelijk of volledig) uit Afrika bezuiden de Sahara afkomstig zijn, hebbende een donkere huidskleur en eventueel, zwart kroeshaar
Hoe spreek je neger uit?
/ˈnexər/
Neger bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| n | nek |
| e | veel |
| x | acht |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- * iemand met voorouders uit Afrika bezuiden de Sahara met lichamelijke kenmerken daarvan als een donkere huidskleur of zwart kroeshaar person
- iemand uit Afrika bezuiden de Sahara historical, person
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| negers | meervoud |
| negertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| negertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van negeren
- gebiedende wijs van negeren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van negeren
Vervoeging van neger
negerhele werkwoord
Herkomst
zn: van Portugees negro "zwart", cognaat met Frans nègre en Engels negro. **[1] Vanaf de 18e eeuw ook verwijzend naar de nakomelingen van de Afrikaanse slaven. **[2] in de oudste historische bronnen vrijwel uitsluitend in de betekenis van ‘Afrikaanse slaaf’, aangetroffen vanaf 1644
Woordfamilie van neger
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| negers | meervoud | neger |
| negertje | verkleinwoord | neger |
| negertjes | verkleinwoord meervoud | neger |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van neger zijn vastgelegd.