nazenden
werkwoordBetekenis
- iets aan iemand toesturen die al vertrokken is
Vervoeging van nazenden
nazendenhele werkwoord — zond naverleden tijd enkelvoud — zonden naverleden tijd meervoud — nagezondenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zend na | zond na |
| jij | zendt na | zond na |
| hij, zij, het | zendt na | zond na |
| wij | zenden na | zonden na |
| jullie | zenden na | zonden na |
| zij | zenden na | zonden na |
Alle 207 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben nagezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent nagezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is nagezonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was nagezonden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd nagezonden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt nagezonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal nagezonden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal nagezonden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou nagezonden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou nagezonden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had nagezonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had nagezonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had nagezonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| had nagezonden gekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had nagezonden gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had nagezonden gekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden nagezonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden nagezonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden nagezonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden nagezonden gekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden nagezonden gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden nagezonden gekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt nagezonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadt nagezonden gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb nagezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| heb nagezonden gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben nagezonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben nagezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben nagezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben nagezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebben nagezonden gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben nagezonden gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben nagezonden gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt nagezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt nagezonden gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft nagezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft nagezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| heeft nagezonden gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft nagezonden gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is nagezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is nagezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kreeg nagezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| kreeg nagezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| kreeg nagezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| kreegt nagezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| kregen nagezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| kregen nagezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| kregen nagezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| krijg nagezonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| krijgen nagezonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| krijgen nagezonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| krijgen nagezonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| krijgt nagezonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| krijgt nagezonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| na te zenden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| na te zullen zenden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| na zal zenden | bijzin, toekomende tijd |
| na zou zenden | bijzin, voorwaardelijk |
| na zouden zenden | bijzin, voorwaardelijk |
| na zoudt zenden | bijzin, voorwaardelijk |
| na zullen zenden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| na zullen zenden | bijzin, toekomende tijd |
| na zult zenden | bijzin, toekomende tijd |
| nagezonden | verleden tijd, deelwoord |
| nagezonden gekregen hebben | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| nagezonden gekregen te hebben | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| nagezonden gekregen te zullen hebben | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| nagezonden gekregen zullen hebben | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| nagezonden krijgen | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| nagezonden te krijgen | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| nagezonden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| nagezonden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| nagezonden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| nagezonden te zullen krijgen | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| nagezonden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| nagezonden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| nagezonden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| nagezonden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| nagezonden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| nagezonden zullen krijgen | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| nagezonden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| nagezonden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| nazend | bijzin, tegenwoordige tijd |
| nazendend | onvoltooid, deelwoord |
| nazendt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| nazond | bijzin, verleden tijd |
| nazonden | bijzin, verleden tijd |
| nazondt | bijzin, verleden tijd |
| te hebben nagezonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen nazenden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart nagezonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren nagezonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren nagezonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren nagezonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was nagezonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was nagezonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was nagezonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd nagezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd nagezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd nagezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden nagezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden nagezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden nagezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt nagezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word nagezonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden nagezonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden nagezonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden nagezonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt nagezonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt nagezonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal nagezonden gekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal nagezonden gekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal nagezonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal nagezonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal nagezonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal nagezonden krijgen | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal nagezonden krijgen | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal nagezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal nagezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal nagezonden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal nagezonden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal nazenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal nazenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal nazenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal nazenden | bijzin, toekomende tijd |
| zend na | gebiedende wijs |
| zijn nagezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn nagezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn nagezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt nagezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zond na | verleden tijd |
| zou nagezonden gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou nagezonden gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou nagezonden gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou nagezonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou nagezonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou nagezonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou nagezonden krijgen | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
Herkomst
samenstelling van na bw en zenden ww
Woordfamilie van nazenden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| nagezonden | voltooid deelwoord | nazenden |
| nazend | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | nazenden |
| nazende | with-subordinate-clause | nazenden |
| nazendend | onvoltooid deelwoord | nazenden |
| nazendende | woordvorm | nazenden |
| nazendt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | nazenden |
| nazond | subordinate-clause, verleden tijd | nazenden |
| nazonden | subordinate-clause, verleden tijd | nazenden |
| zend na | gebiedende wijs | nazenden |
| zende na | woordvorm | nazenden |
| zenden na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | nazenden |
| zendt na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | nazenden |
| zond na | verleden tijd | nazenden |
| zonden na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | nazenden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nazenden zijn vastgelegd.