nazeggen
werkwoordBetekenis
- herhalen wat iemand anders al gezegd heeft, bevestigen wat iemand anders al gezegd heeft
Vervoeging van nazeggen
nazeggenhele werkwoord — zegde naverleden tijd enkelvoud — zegden naverleden tijd meervoud — nagezegdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zeg na | zegde na |
| jij | zegt na | zegde na |
| hij, zij, het | zegt na | zegde na |
| wij | zeggen na | zegden na |
| jullie | zeggen na | zegden na |
| zij | zeggen na | zegden na |
Alle 148 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben nagezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent nagezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is nagezegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was nagezegd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd nagezegd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt nagezegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal nagezegd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal nagezegd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou nagezegd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou nagezegd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had nagezegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had nagezegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had nagezegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden nagezegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden nagezegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden nagezegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt nagezegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb nagezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben nagezegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben nagezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben nagezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben nagezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt nagezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft nagezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft nagezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is nagezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is nagezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| na te zeggen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| na te zullen zeggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| na zal zeggen | bijzin, toekomende tijd |
| na zou zeggen | bijzin, voorwaardelijk |
| na zouden zeggen | bijzin, voorwaardelijk |
| na zoudt zeggen | bijzin, voorwaardelijk |
| na zullen zeggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| na zullen zeggen | bijzin, toekomende tijd |
| na zult zeggen | bijzin, toekomende tijd |
| nagezegd | verleden tijd, deelwoord |
| nagezegd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| nagezegd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| nagezegd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| nagezegd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| nagezegd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| nagezegd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| nagezegd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| nagezegd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| nagezegd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| nagezegd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| nazeg | bijzin, tegenwoordige tijd |
| nazegde | bijzin, verleden tijd |
| nazegden | bijzin, verleden tijd |
| nazeggend | onvoltooid, deelwoord |
| nazegt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| nazei | bijzin, verleden tijd |
| nazeiden | bijzin, verleden tijd |
| te hebben nagezegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen nazeggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart nagezegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren nagezegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren nagezegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren nagezegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was nagezegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was nagezegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was nagezegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd nagezegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd nagezegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd nagezegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden nagezegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden nagezegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden nagezegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt nagezegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word nagezegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden nagezegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden nagezegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden nagezegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt nagezegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt nagezegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal nagezegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal nagezegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal nagezegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal nagezegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal nagezegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal nagezegd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal nagezegd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal nazeggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal nazeggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal nazeggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal nazeggen | bijzin, toekomende tijd |
| zeg na | gebiedende wijs |
| zegde na | verleden tijd |
| zei na | verleden tijd |
| zijn nagezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn nagezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn nagezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt nagezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou nagezegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou nagezegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou nagezegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou nagezegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou nagezegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou nagezegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou nagezegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou nagezegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou nagezegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou nazeggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou nazeggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou nazeggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou nazeggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) nazeggen na zou(dt) zeggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden nagezegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden nagezegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden nagezegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden nagezegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden nagezegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden nagezegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden nagezegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden nagezegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden nagezegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden nazeggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden nazeggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden nazeggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden nazeggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt nagezegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt nagezegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt nagezegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt nazeggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt nazeggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen nagezegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen nagezegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen nagezegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen nagezegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen nagezegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen nagezegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen nagezegd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen nagezegd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen nagezegd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen nazeggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen nazeggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen nazeggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van na bw en zeggen ww
Woordfamilie van nazeggen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| nagezegd | voltooid deelwoord | nazeggen |
| nagezegde | woordvorm | nazeggen |
| nazeg | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | nazeggen |
| nazegde | subordinate-clause, verleden tijd | nazeggen |
| nazegden | subordinate-clause, verleden tijd | nazeggen |
| nazegge | with-subordinate-clause | nazeggen |
| nazeggend | onvoltooid deelwoord | nazeggen |
| nazeggende | woordvorm | nazeggen |
| nazegt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | nazeggen |
| nazei | subordinate-clause, verleden tijd | nazeggen |
| nazeiden | subordinate-clause, verleden tijd | nazeggen |
| zeg na | gebiedende wijs | nazeggen |
| zegde na | verleden tijd | nazeggen |
| zegden na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | nazeggen |
| zegge na | woordvorm | nazeggen |
| zeggen na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | nazeggen |
| zegt na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | nazeggen |
| zei na | verleden tijd | nazeggen |
| zeiden na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | nazeggen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nazeggen zijn vastgelegd.