nawegen
werkwoordBetekenis
- iets ter controle opnieuw wegen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van nawegen
nawegenhele werkwoord — woog naverleden tijd enkelvoud — wogen naverleden tijd meervoud — nagewogenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | weeg na | woog na |
| jij | weegt na | woog na |
| hij, zij, het | weegt na | woog na |
| wij | wegen na | wogen na |
| jullie | wegen na | wogen na |
| zij | wegen na | wogen na |
Alle 108 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is nagewogen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was nagewogen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd nagewogen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt nagewogen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal nagewogen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal nagewogen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou nagewogen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou nagewogen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had nagewogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had nagewogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had nagewogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden nagewogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden nagewogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden nagewogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt nagewogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb nagewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben nagewogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben nagewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben nagewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben nagewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt nagewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft nagewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft nagewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is nagewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| na te wegen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| na te zullen wegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| na zal wegen | bijzin, toekomende tijd |
| na zou wegen | bijzin, voorwaardelijk |
| na zouden wegen | bijzin, voorwaardelijk |
| na zoudt wegen | bijzin, voorwaardelijk |
| na zullen wegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| na zullen wegen | bijzin, toekomende tijd |
| na zult wegen | bijzin, toekomende tijd |
| nagewogen | verleden tijd, deelwoord |
| nagewogen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| nagewogen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| nagewogen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| nagewogen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| nagewogen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| nagewogen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| nagewogen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| nagewogen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| nagewogen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| nagewogen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| naweeg | bijzin, tegenwoordige tijd |
| naweegt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| nawegend | onvoltooid, deelwoord |
| nawogen | bijzin, verleden tijd |
| nawoog | bijzin, verleden tijd |
| nawoogt | bijzin, verleden tijd |
| te hebben nagewogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen nawegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren nagewogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was nagewogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| weeg na | gebiedende wijs |
| werd nagewogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden nagewogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| woog na | verleden tijd |
| worden nagewogen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt nagewogen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal nagewogen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal nagewogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal nagewogen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal nagewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal nagewogen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal nawegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal nawegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal nawegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal nawegen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn nagewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou nagewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou nagewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou nagewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou nagewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou nagewogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou nawegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou nawegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou nawegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou nawegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) nawegen na zou(dt) wegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden nagewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden nagewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden nagewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden nagewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden nagewogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden nawegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden nawegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden nawegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden nawegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt nagewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt nawegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt nawegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen nagewogen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen nagewogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen nagewogen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen nagewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen nagewogen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen nawegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen nawegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen nawegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen nawegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen nawegen | bijzin, toekomende tijd |
| zult nagewogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult nawegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult nawegen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal nawegen na zult/zal wegen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van na bw en wegen ww
Woordfamilie van nawegen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| nagewogen | voltooid deelwoord | nawegen |
| naweeg | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | nawegen |
| naweegt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | nawegen |
| nawege | with-subordinate-clause | nawegen |
| nawegend | onvoltooid deelwoord | nawegen |
| nawegende | woordvorm | nawegen |
| nawogen | subordinate-clause, verleden tijd | nawegen |
| nawoog | subordinate-clause, verleden tijd | nawegen |
| nawoogt | subordinate-clause, verleden tijd | nawegen |
| weeg na | gebiedende wijs | nawegen |
| weegt na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | nawegen |
| wege na | woordvorm | nawegen |
| wegen na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | nawegen |
| wogen na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | nawegen |
| woog na | verleden tijd | nawegen |
| woogt na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | nawegen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nawegen zijn vastgelegd.