natspuiten
werkwoordBetekenis
- door spuiten natmaken
Vervoeging van natspuiten
natspuitenhele werkwoord — spoot natverleden tijd enkelvoud — spoten natverleden tijd meervoud — natgespotenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spuit nat | spoot nat |
| jij | spuit nat | spoot nat |
| hij, zij, het | spuit nat | spoot nat |
| wij | spuiten nat | spoten nat |
| jullie | spuiten nat | spoten nat |
| zij | spuiten nat | spoten nat |
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben natgespoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent natgespoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is natgespoten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was natgespoten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd natgespoten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt natgespoten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal natgespoten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal natgespoten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou natgespoten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou natgespoten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had natgespoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had natgespoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had natgespoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden natgespoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden natgespoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden natgespoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt natgespoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb natgespoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben natgespoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben natgespoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben natgespoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben natgespoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt natgespoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft natgespoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft natgespoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is natgespoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is natgespoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| nat te spuiten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| nat te zullen spuiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| nat zal spuiten | bijzin, toekomende tijd |
| nat zou spuiten | bijzin, voorwaardelijk |
| nat zouden spuiten | bijzin, voorwaardelijk |
| nat zoudt spuiten | bijzin, voorwaardelijk |
| nat zullen spuiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| nat zullen spuiten | bijzin, toekomende tijd |
| nat zult spuiten | bijzin, toekomende tijd |
| natgespoten | verleden tijd, deelwoord |
| natgespoten te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| natgespoten te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| natgespoten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| natgespoten te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| natgespoten te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| natgespoten worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| natgespoten zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| natgespoten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| natgespoten zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| natgespoten zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| natspoot | bijzin, verleden tijd |
| natspoten | bijzin, verleden tijd |
| natspuit | bijzin, tegenwoordige tijd |
| natspuitend | onvoltooid, deelwoord |
| spoot nat | verleden tijd |
| spuit nat | gebiedende wijs |
| te hebben natgespoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen natspuiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart natgespoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren natgespoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren natgespoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren natgespoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was natgespoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was natgespoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was natgespoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd natgespoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd natgespoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd natgespoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden natgespoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden natgespoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden natgespoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt natgespoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word natgespoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden natgespoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden natgespoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden natgespoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt natgespoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt natgespoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal natgespoten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal natgespoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal natgespoten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal natgespoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal natgespoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal natgespoten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal natgespoten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal natspuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal natspuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal natspuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal natspuiten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn natgespoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn natgespoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn natgespoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt natgespoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou natgespoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou natgespoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou natgespoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou natgespoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou natgespoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou natgespoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou natgespoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou natgespoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou natgespoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou natspuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou natspuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou natspuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou natspuiten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) natspuiten nat zou(dt) spuiten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden natgespoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden natgespoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden natgespoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden natgespoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden natgespoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden natgespoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden natgespoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden natgespoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden natgespoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden natspuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden natspuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden natspuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden natspuiten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt natgespoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt natgespoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt natgespoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt natspuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt natspuiten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen natgespoten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen natgespoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen natgespoten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen natgespoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen natgespoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen natgespoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen natgespoten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen natgespoten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen natgespoten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen natspuiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen natspuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen natspuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen natspuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen natspuiten | bijzin, toekomende tijd |
| zult natgespoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult natgespoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van nat en spuiten
Woordfamilie van natspuiten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| natgespoten | voltooid deelwoord | natspuiten |
| natspoot | subordinate-clause, verleden tijd | natspuiten |
| natspoten | subordinate-clause, verleden tijd | natspuiten |
| natspuit | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | natspuiten |
| natspuite | with-subordinate-clause | natspuiten |
| natspuitend | onvoltooid deelwoord | natspuiten |
| natspuitende | woordvorm | natspuiten |
| spoot nat | verleden tijd | natspuiten |
| spoten nat | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | natspuiten |
| spuit nat | gebiedende wijs | natspuiten |
| spuite nat | woordvorm | natspuiten |
| spuiten nat | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | natspuiten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van natspuiten zijn vastgelegd.