Naar de inhoud

naspelen

spelend nadoen, iets spelen dat al eerder is gespeeld

naspelen is meer dan één woord

naspelen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. spelend nadoen, iets spelen dat al eerder is gespeeld

Vervoeging van naspelen

naspelenhele werkwoord — speelde naverleden tijd enkelvoud — speelden naverleden tijd meervoud — nagespeeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik speel na speelde na
jij speelt na speelde na
hij, zij, het speelt na speelde na
wij spelen na speelden na
jullie spelen na speelden na
zij spelen na speelden na
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben nagespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent nagespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is nagespeeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was nagespeeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd nagespeeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt nagespeeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal nagespeeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal nagespeeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou nagespeeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou nagespeeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had nagespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had nagespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had nagespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden nagespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden nagespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden nagespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt nagespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb nagespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben nagespeeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben nagespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben nagespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben nagespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt nagespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft nagespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft nagespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is nagespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is nagespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
na te spelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
na te zullen spelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
na zal spelen bijzin, toekomende tijd
na zou spelen bijzin, voorwaardelijk
na zouden spelen bijzin, voorwaardelijk
na zoudt spelen bijzin, voorwaardelijk
na zullen spelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
na zullen spelen bijzin, toekomende tijd
na zult spelen bijzin, toekomende tijd
nagespeeld verleden tijd, deelwoord
nagespeeld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
nagespeeld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
nagespeeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
nagespeeld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
nagespeeld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
nagespeeld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
nagespeeld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
nagespeeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
nagespeeld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
nagespeeld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
naspeel bijzin, tegenwoordige tijd
naspeelde bijzin, verleden tijd
naspeelden bijzin, verleden tijd
naspeelt bijzin, tegenwoordige tijd
naspelend onvoltooid, deelwoord
speel na gebiedende wijs
speelde na verleden tijd
te hebben nagespeeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen naspelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart nagespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren nagespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren nagespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren nagespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was nagespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was nagespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was nagespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd nagespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd nagespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd nagespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden nagespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden nagespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden nagespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt nagespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word nagespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden nagespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden nagespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden nagespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt nagespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt nagespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal nagespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal nagespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal nagespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal nagespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal nagespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal nagespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal nagespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal naspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal naspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal naspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal naspelen bijzin, toekomende tijd
zijn nagespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn nagespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn nagespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt nagespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou nagespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou nagespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou nagespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou nagespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou nagespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou nagespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou nagespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou nagespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou nagespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou naspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou naspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou naspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou naspelen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) naspelen na zou(dt) spelen bijzin, voorwaardelijk
zouden nagespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden nagespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden nagespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden nagespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden nagespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden nagespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden nagespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden nagespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden nagespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden naspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden naspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden naspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden naspelen bijzin, voorwaardelijk
zoudt nagespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt nagespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt nagespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt naspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt naspelen bijzin, voorwaardelijk
zullen nagespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen nagespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen nagespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen nagespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen nagespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen nagespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen nagespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen nagespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen nagespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen naspelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen naspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen naspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen naspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen naspelen bijzin, toekomende tijd
zult nagespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord naspel

Herkomst

samenstelling van na en spelen

Woordfamilie van naspelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
nagespeeld voltooid deelwoord naspelen
nagespeelde woordvorm naspelen
naspeel subordinate-clause, tegenwoordige tijd naspelen
naspeelde subordinate-clause, verleden tijd naspelen
naspeelden subordinate-clause, verleden tijd naspelen
naspeelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd naspelen
naspele with-subordinate-clause naspelen
naspelend onvoltooid deelwoord naspelen
naspelende woordvorm naspelen
speel na gebiedende wijs naspelen
speelde na verleden tijd naspelen
speelden na aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon naspelen
speelt na aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon naspelen
spele na woordvorm naspelen
spelen na aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon naspelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van naspelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over naspelen

Wat is de betekenis van naspelen?
Naspelen is een werkwoord. De betekenis is: spelend nadoen, iets spelen dat al eerder is gespeeld.
Hoe vervoeg ik naspelen?
Zo vervoeg je naspelen zo: het voltooid deelwoord is nagespeeld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord naspelen is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. N 1
  2. A 1
  3. S 2
  4. P 3
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

naspelen levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. N 1
  2. A 1
  3. S 2
  4. P 4
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 zonder bonus
  10. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

naspelen in het kort

naspelen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Van naspelen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort naspelen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

naspelen: spelend nadoen, iets spelen dat al eerder is gespeeld
Deel naspelen — standaardnederlands.nl