Naar de inhoud

naroepen

roepen in de richting van een zich verwijderend persoon

naroepen

werkwoord

Betekenis

  1. roepen in de richting van een zich verwijderend persoon

Vervoeging van naroepen

naroepenhele werkwoord — riep naverleden tijd enkelvoud — riepen naverleden tijd meervoud — nageroepenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik roep na riep na
jij roept na riep na
hij, zij, het roept na riep na
wij roepen na riepen na
jullie roepen na riepen na
zij roepen na riepen na
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben nageroepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent nageroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is nageroepen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was nageroepen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd nageroepen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt nageroepen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal nageroepen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal nageroepen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou nageroepen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou nageroepen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had nageroepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had nageroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had nageroepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden nageroepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden nageroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden nageroepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt nageroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb nageroepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben nageroepen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben nageroepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben nageroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben nageroepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt nageroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft nageroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft nageroepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is nageroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is nageroepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
na te roepen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
na te zullen roepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
na zal roepen bijzin, toekomende tijd
na zou roepen bijzin, voorwaardelijk
na zouden roepen bijzin, voorwaardelijk
na zoudt roepen bijzin, voorwaardelijk
na zullen roepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
na zullen roepen bijzin, toekomende tijd
na zult roepen bijzin, toekomende tijd
nageroepen verleden tijd, deelwoord
nageroepen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
nageroepen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
nageroepen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
nageroepen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
nageroepen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
nageroepen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
nageroepen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
nageroepen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
nageroepen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
nageroepen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
nariep bijzin, verleden tijd
nariepen bijzin, verleden tijd
naroep bijzin, tegenwoordige tijd
naroepend onvoltooid, deelwoord
naroept bijzin, tegenwoordige tijd
riep na verleden tijd
roep na gebiedende wijs
te hebben nageroepen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen naroepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart nageroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren nageroepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren nageroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren nageroepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was nageroepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was nageroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was nageroepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd nageroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd nageroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd nageroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden nageroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden nageroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden nageroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt nageroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word nageroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden nageroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden nageroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden nageroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt nageroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt nageroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal nageroepen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal nageroepen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal nageroepen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal nageroepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal nageroepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal nageroepen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal nageroepen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal naroepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal naroepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal naroepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal naroepen bijzin, toekomende tijd
zijn nageroepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn nageroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn nageroepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt nageroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou nageroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou nageroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou nageroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou nageroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou nageroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou nageroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou nageroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou nageroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou nageroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou naroepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou naroepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou naroepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou naroepen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) naroepen na zou(dt) roepen bijzin, voorwaardelijk
zouden nageroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden nageroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden nageroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden nageroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden nageroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden nageroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden nageroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden nageroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden nageroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden naroepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden naroepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden naroepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden naroepen bijzin, voorwaardelijk
zoudt nageroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt nageroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt nageroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt naroepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt naroepen bijzin, voorwaardelijk
zullen nageroepen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen nageroepen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen nageroepen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen nageroepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen nageroepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen nageroepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen nageroepen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen nageroepen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen nageroepen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen naroepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen naroepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen naroepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen naroepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen naroepen bijzin, toekomende tijd
zult nageroepen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van na en roepen

Woordfamilie van naroepen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
nageroepen voltooid deelwoord naroepen
nariep subordinate-clause, verleden tijd naroepen
nariepen subordinate-clause, verleden tijd naroepen
naroep subordinate-clause, tegenwoordige tijd naroepen
naroepe with-subordinate-clause naroepen
naroepend onvoltooid deelwoord naroepen
naroepende woordvorm naroepen
naroept subordinate-clause, tegenwoordige tijd naroepen
riep na verleden tijd naroepen
riepen na aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon naroepen
roep na gebiedende wijs naroepen
roepe na woordvorm naroepen
roepen na aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon naroepen
roept na aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon naroepen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van naroepen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over naroepen

Wat is de betekenis van naroepen?
Naroepen is een werkwoord. De betekenis is: roepen in de richting van een zich verwijderend persoon.
Hoe vervoeg ik naroepen?
Zo vervoeg je naroepen zo: het voltooid deelwoord is nageroepen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord naroepen is 11 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. N 1
  2. A 1
  3. R 2
  4. O 1
  5. E 1
  6. P 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 11 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

naroepen levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. N 1
  2. A 1
  3. R 2
  4. O 1
  5. E 1
  6. P 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 12 zonder bonus
  10. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

naroepen in het kort

naroepen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van naroepen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort naroepen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

naroepen: roepen in de richting van een zich verwijderend persoon
Deel naroepen — standaardnederlands.nl