Naar de inhoud

najouwen

om van zijn afkeuring en minachting blijk te geven iemand spottend en schimpend naroepen

najouwen

werkwoord

Betekenis

  1. om van zijn afkeuring en minachting blijk te geven iemand spottend en schimpend naroepen

Vervoeging van najouwen

najouwenhele werkwoord — jouwde naverleden tijd enkelvoud — jouwden naverleden tijd meervoud — nagejouwdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik jouw na jouwde na
jij jouwt na jouwde na
hij, zij, het jouwt na jouwde na
wij jouwen na jouwden na
jullie jouwen na jouwden na
zij jouwen na jouwden na
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben nagejouwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent nagejouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is nagejouwd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was nagejouwd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd nagejouwd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt nagejouwd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal nagejouwd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal nagejouwd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou nagejouwd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou nagejouwd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had nagejouwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had nagejouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had nagejouwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden nagejouwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden nagejouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden nagejouwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt nagejouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb nagejouwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben nagejouwd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben nagejouwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben nagejouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben nagejouwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt nagejouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft nagejouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft nagejouwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is nagejouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is nagejouwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
jouw na gebiedende wijs
jouwde na verleden tijd
na te jouwen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
na te zullen jouwen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
na zal jouwen bijzin, toekomende tijd
na zou jouwen bijzin, voorwaardelijk
na zouden jouwen bijzin, voorwaardelijk
na zoudt jouwen bijzin, voorwaardelijk
na zullen jouwen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
na zullen jouwen bijzin, toekomende tijd
na zult jouwen bijzin, toekomende tijd
nagejouwd verleden tijd, deelwoord
nagejouwd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
nagejouwd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
nagejouwd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
nagejouwd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
nagejouwd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
nagejouwd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
nagejouwd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
nagejouwd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
nagejouwd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
nagejouwd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
najouw bijzin, tegenwoordige tijd
najouwde bijzin, verleden tijd
najouwden bijzin, verleden tijd
najouwend onvoltooid, deelwoord
najouwt bijzin, tegenwoordige tijd
te hebben nagejouwd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen najouwen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart nagejouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren nagejouwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren nagejouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren nagejouwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was nagejouwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was nagejouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was nagejouwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd nagejouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd nagejouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd nagejouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden nagejouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden nagejouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden nagejouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt nagejouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word nagejouwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden nagejouwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden nagejouwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden nagejouwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt nagejouwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt nagejouwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal nagejouwd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal nagejouwd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal nagejouwd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal nagejouwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal nagejouwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal nagejouwd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal nagejouwd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal najouwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal najouwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal najouwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal najouwen bijzin, toekomende tijd
zijn nagejouwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn nagejouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn nagejouwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt nagejouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou nagejouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou nagejouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou nagejouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou nagejouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou nagejouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou nagejouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou nagejouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou nagejouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou nagejouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou najouwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou najouwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou najouwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou najouwen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) najouwen na zou(dt) jouwen bijzin, voorwaardelijk
zouden nagejouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden nagejouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden nagejouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden nagejouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden nagejouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden nagejouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden nagejouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden nagejouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden nagejouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden najouwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden najouwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden najouwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden najouwen bijzin, voorwaardelijk
zoudt nagejouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt nagejouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt nagejouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt najouwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt najouwen bijzin, voorwaardelijk
zullen nagejouwd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen nagejouwd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen nagejouwd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen nagejouwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen nagejouwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen nagejouwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen nagejouwd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen nagejouwd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen nagejouwd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen najouwen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen najouwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen najouwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen najouwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen najouwen bijzin, toekomende tijd
zult nagejouwd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van na en jouwen

Woordfamilie van najouwen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
jouw na gebiedende wijs najouwen
jouwde na verleden tijd najouwen
jouwden na aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon najouwen
jouwe na woordvorm najouwen
jouwen na aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon najouwen
jouwt na aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon najouwen
nagejouwd voltooid deelwoord najouwen
nagejouwde woordvorm najouwen
najouw subordinate-clause, tegenwoordige tijd najouwen
najouwde subordinate-clause, verleden tijd najouwen
najouwden subordinate-clause, verleden tijd najouwen
najouwe with-subordinate-clause najouwen
najouwend onvoltooid deelwoord najouwen
najouwende woordvorm najouwen
najouwt subordinate-clause, tegenwoordige tijd najouwen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van najouwen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over najouwen

Wat betekent najouwen?
Najouwen is een werkwoord. Het woord betekent: om van zijn afkeuring en minachting blijk te geven iemand spottend en schimpend naroepen.
Hoe vervoeg je najouwen?
Je vervoegt najouwen als volgt: het voltooid deelwoord is nagejouwd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord najouwen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. N 1
  2. A 1
  3. J 4
  4. O 1
  5. U 4
  6. W 5
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

najouwen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. N 1
  2. A 1
  3. J 4
  4. O 1
  5. U 2
  6. W 5
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

najouwen in het kort

najouwen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van najouwen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort najouwen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

najouwen: om van zijn afkeuring en minachting blijk te geven iemand spottend en schimpend naroepen
Deel najouwen — standaardnederlands.nl