nagalmen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- echoën
- blijven denken aan iets
Vervoeging van nagalmen
nagalmenhele werkwoord — galmde naverleden tijd enkelvoud — galmden naverleden tijd meervoud — nagegalmdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | galm na | galmde na |
| jij | galmt na | galmde na |
| hij, zij, het | galmt na | galmde na |
| wij | galmen na | galmden na |
| jullie | galmen na | galmden na |
| zij | galmen na | galmden na |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| galm na | gebiedende wijs |
| galmde na | verleden tijd |
| had nagegalmd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had nagegalmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had nagegalmd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden nagegalmd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden nagegalmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden nagegalmd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt nagegalmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb nagegalmd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben nagegalmd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben nagegalmd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben nagegalmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben nagegalmd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt nagegalmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft nagegalmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft nagegalmd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| na te galmen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| na te zullen galmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| na zal galmen | bijzin, toekomende tijd |
| na zou galmen | bijzin, voorwaardelijk |
| na zouden galmen | bijzin, voorwaardelijk |
| na zoudt galmen | bijzin, voorwaardelijk |
| na zullen galmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| na zullen galmen | bijzin, toekomende tijd |
| na zult galmen | bijzin, toekomende tijd |
| nagalm | bijzin, tegenwoordige tijd |
| nagalmde | bijzin, verleden tijd |
| nagalmden | bijzin, verleden tijd |
| nagalmend | onvoltooid, deelwoord |
| nagalmt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| nagegalmd | verleden tijd, deelwoord |
| nagegalmd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| nagegalmd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben nagegalmd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen nagalmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal nagalmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal nagalmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal nagalmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal nagalmen | bijzin, toekomende tijd |
| zal nagegalmd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal nagegalmd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal nagegalmd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou nagalmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou nagalmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou nagalmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou nagalmen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou nagegalmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou nagegalmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou nagegalmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) nagalmen na zou(dt) galmen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden nagalmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden nagalmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden nagalmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden nagalmen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden nagegalmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden nagegalmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden nagegalmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt nagalmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt nagalmen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt nagegalmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen nagalmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen nagalmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen nagalmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen nagalmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen nagalmen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen nagegalmd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen nagegalmd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen nagegalmd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult nagalmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult nagalmen | bijzin, toekomende tijd |
| zult nagegalmd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal nagalmen na zult/zal galmen | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord nagalm
Herkomst
samenstelling van na en galmen ww
Woordfamilie van nagalmen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| galm na | gebiedende wijs | nagalmen |
| galmde na | verleden tijd | nagalmen |
| galmden na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | nagalmen |
| galme na | woordvorm | nagalmen |
| galmen na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | nagalmen |
| galmt na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | nagalmen |
| nagalmde | subordinate-clause, verleden tijd | nagalmen |
| nagalmden | subordinate-clause, verleden tijd | nagalmen |
| nagalme | with-subordinate-clause | nagalmen |
| nagalmend | onvoltooid deelwoord | nagalmen |
| nagalmende | woordvorm | nagalmen |
| nagalmt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | nagalmen |
| nagegalmd | voltooid deelwoord | nagalmen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nagalmen zijn vastgelegd.