naderen
werkwoordBetekenis
- in aantocht zijn; dichterbij komen
Vervoeging van naderen
naderenhele werkwoord — naderdeverleden tijd enkelvoud — naderdenverleden tijd meervoud — genaderdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | nader | naderde |
| jij | nadert | naderde |
| hij, zij, het | nadert | naderde |
| wij | naderen | naderden |
| jullie | naderen | naderden |
| zij | naderen | naderden |
Alle 64 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben genaderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent genaderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is genaderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was genaderd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd genaderd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt genaderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal genaderd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal genaderd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou genaderd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou genaderd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| genaderd | verleden tijd, deelwoord |
| genaderd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| genaderd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is genaderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is genaderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| nader | gebiedende wijs |
| naderde | verleden tijd |
| nadere | aanvoegende wijs |
| naderend | onvoltooid, deelwoord |
| te naderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn genaderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen naderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart genaderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren genaderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren genaderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren genaderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was genaderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was genaderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was genaderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal genaderd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal genaderd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal genaderd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal naderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal naderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal naderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn genaderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn genaderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn genaderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn genaderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt genaderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou genaderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou genaderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou genaderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou naderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou naderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou naderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden genaderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden genaderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden genaderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden naderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden naderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden naderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt genaderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt naderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen genaderd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen genaderd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen genaderd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen naderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen naderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen naderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen naderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult genaderd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult naderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van nader.
Woordfamilie van naderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| genaderd | voltooid deelwoord | naderen |
| genaderde | woordvorm | naderen |
| naderde | verleden tijd | naderen |
| naderden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | naderen |
| nadert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | naderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van naderen zijn vastgelegd.