musiceren
werkwoordBetekenis
- het ten gehore brengen van muziek door middel van een muziekinstrument of de stem
Vervoeging van musiceren
musicerenhele werkwoord — musiceerdeverleden tijd enkelvoud — musiceerdenverleden tijd meervoud — gemusiceerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | musiceer | musiceerde |
| jij | musiceert | musiceerde |
| hij, zij, het | musiceert | musiceerde |
| wij | musiceren | musiceerden |
| jullie | musiceren | musiceerden |
| zij | musiceren | musiceerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gemusiceerd | verleden tijd, deelwoord |
| gemusiceerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemusiceerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemusiceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemusiceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemusiceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemusiceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemusiceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemusiceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemusiceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemusiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemusiceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemusiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemusiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemusiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemusiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemusiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemusiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| musiceer | gebiedende wijs |
| musiceerde | verleden tijd |
| musicere | aanvoegende wijs |
| musicerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemusiceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te musiceren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen musiceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gemusiceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemusiceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemusiceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal musiceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal musiceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal musiceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gemusiceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemusiceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemusiceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou musiceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou musiceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou musiceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemusiceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemusiceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemusiceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden musiceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden musiceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden musiceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemusiceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt musiceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemusiceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemusiceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemusiceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen musiceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen musiceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen musiceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen musiceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemusiceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult musiceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘muziek maken’ voor het eerst aangetroffen in 1644
Woordfamilie van musiceren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemusiceerd | voltooid deelwoord | musiceren |
| musiceer | gebiedende wijs | musiceren |
| musiceerde | verleden tijd | musiceren |
| musiceerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | musiceren |
| musiceert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | musiceren |
| musicere | aanvoegende wijs | musiceren |
| musicerend | onvoltooid deelwoord | musiceren |
| musicerende | woordvorm | musiceren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van musiceren zijn vastgelegd.