mountainbiken
werkwoord ˈmɔuntənbɑjkə(n)Betekenis
- fietsen op een sportieve fiets met minimaal 24 versnellingen en brede banden met noppen
Hoe spreek je mountainbiken uit?
/ˈmɔuntənbɑjkən/
Mountainbiken bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɔ | bot |
| u | boek |
| n | nek |
| t | tak |
| ə | de |
| b | bak |
| ɑ | bad |
| j | ja |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van mountainbiken
mountainbikenhele werkwoord — mountainbiketeverleden tijd enkelvoud — mountainbiketenverleden tijd meervoud — gemountainbiketvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | mountainbike | mountainbikete |
| jij | mountainbiket | mountainbikete |
| hij, zij, het | mountainbiket | mountainbikete |
| wij | mountainbiken | mountainbiketen |
| jullie | mountainbiken | mountainbiketen |
| zij | mountainbiken | mountainbiketen |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gemountainbiket | verleden tijd, deelwoord |
| gemountainbiket te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemountainbiket zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemountainbiket | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemountainbiket | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemountainbiket | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemountainbiket | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemountainbiket | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemountainbiket | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemountainbiket | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemountainbiket | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemountainbiket | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemountainbiket | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemountainbiket | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemountainbiket | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemountainbiket | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemountainbiket | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemountainbiket | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mountainbike | gebiedende wijs |
| mountainbike | aanvoegende wijs |
| mountainbikend | onvoltooid, deelwoord |
| mountainbikete | verleden tijd |
| te hebben gemountainbiket | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te mountainbiken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen mountainbiken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gemountainbiket hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemountainbiket hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemountainbiket hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal mountainbiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal mountainbiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal mountainbiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gemountainbiket hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemountainbiket hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemountainbiket hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou mountainbiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou mountainbiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou mountainbiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemountainbiket hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemountainbiket hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemountainbiket hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden mountainbiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden mountainbiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden mountainbiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemountainbiket hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt mountainbiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemountainbiket hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemountainbiket hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemountainbiket hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen mountainbiken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen mountainbiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen mountainbiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen mountainbiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemountainbiket hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult mountainbiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordfamilie van mountainbiken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemountainbiket | voltooid deelwoord | mountainbiken |
| mountainbikend | onvoltooid deelwoord | mountainbiken |
| mountainbikende | woordvorm | mountainbiken |
| mountainbiket | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | mountainbiken |
| mountainbikete | verleden tijd | mountainbiken |
| mountainbiketen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | mountainbiken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mountainbiken zijn vastgelegd.