mountainbike
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- fiets met minimaal 24 versnellingen, dikke banden en een recht stuur, geschikt om mee over onregelmatig terrein te fietsen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| mountainbikeje | verkleinwoord, enkelvoud |
| mountainbikejes | verkleinwoord, meervoud |
| mountainbikes | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mountainbiken
- gebiedende wijs van mountainbiken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mountainbiken
- aanvoegende wijs van mountainbiken
Vervoeging van mountainbike
mountainbikehele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘terreinfiets’ voor het eerst aangetroffen in 1989
Woordfamilie van mountainbike
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| mountainbikeje | verkleinwoord | mountainbike |
| mountainbikejes | verkleinwoord meervoud | mountainbike |
| mountainbikes | meervoud | mountainbike |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mountainbike zijn vastgelegd.