motten
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- motregenen
- bestrooien met fijne veenachtige grond als meststof
- moeten
Vervoeging van motten
mottenhele werkwoord — motteverleden tijd enkelvoud — gemotvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | mot | motte |
| jij | mot | motte |
| hij, zij, het | mot | motte |
| wij | motten | — |
| jullie | motten | — |
| zij | motten | — |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gemot | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gemot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gemot | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gemot | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gemot | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gemot | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gemot worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gemot zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gemot worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gemot zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gemot | verleden tijd, deelwoord |
| gemot te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gemot te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gemot te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemot te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemot te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemot worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gemot zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gemot zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gemot zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gemot zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemot | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemot | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemot | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemot | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemot | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemot | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemot | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemot | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemot | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gemot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gemot | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mot | gebiedende wijs |
| motte | verleden tijd |
| motte | aanvoegende wijs |
| mottend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemot | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te motten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen motten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gemot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gemot | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gemot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gemot | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gemot | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gemot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gemot | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gemot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gemot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gemot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gemot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gemot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gemot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gemot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gemot | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gemot | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gemot | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gemot | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gemot | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gemot | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gemot hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemot hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemot hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gemot worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemot worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gemot zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemot zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal motten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal motten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal motten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gemot | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gemot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gemot | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gemot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gemot hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemot hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemot hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gemot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gemot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemot zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemot zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemot zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou motten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou motten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou motten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemot hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemot hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemot hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gemot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gemot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gemot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gemot zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemot zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemot zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden motten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden motten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden motten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemot hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gemot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gemot zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt motten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemot hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemot hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemot hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gemot worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gemot worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gemot worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gemot zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemot zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemot zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen motten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen motten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen motten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen motten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemot hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gemot worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gemot zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult motten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord mot
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van motten
Vervoeging van motten
mottenhele werkwoord
Woordfamilie van motten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemot | voltooid deelwoord | motten |
| gemotte | woordvorm | motten |
| mottend | onvoltooid deelwoord | motten |
| mottende | woordvorm | motten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van motten zijn vastgelegd.