morrelen
werkwoordBetekenis
- proberen iets los te krijgen door het heen en weer te bewegen
- afbreken, kapot maken, wijzigen
Vervoeging van morrelen
morrelenhele werkwoord — morreldeverleden tijd enkelvoud — morreldenverleden tijd meervoud — gemorreldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | morrel | morrelde |
| jij | morrelt | morrelde |
| hij, zij, het | morrelt | morrelde |
| wij | morrelen | morrelden |
| jullie | morrelen | morrelden |
| zij | morrelen | morrelden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gemorreld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gemorreld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gemorreld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gemorreld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gemorreld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gemorreld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gemorreld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gemorreld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gemorreld | verleden tijd, deelwoord |
| gemorreld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemorreld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemorreld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemorreld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemorreld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemorreld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemorreld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemorreld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemorreld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemorreld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemorreld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemorreld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemorreld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemorreld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemorreld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemorreld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemorreld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| morrel | gebiedende wijs |
| morrelde | verleden tijd |
| morrele | aanvoegende wijs |
| morrelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemorreld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te morrelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen morrelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gemorreld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemorreld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemorreld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal morrelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal morrelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal morrelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gemorreld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemorreld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemorreld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou morrelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou morrelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou morrelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemorreld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemorreld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemorreld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden morrelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden morrelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden morrelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemorreld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt morrelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemorreld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemorreld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemorreld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen morrelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen morrelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen morrelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen morrelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemorreld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult morrelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘peuteren’ voor het eerst aangetroffen in 1709
Woordfamilie van morrelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemorreld | voltooid deelwoord | morrelen |
| morrel | gebiedende wijs | morrelen |
| morrelde | verleden tijd | morrelen |
| morrelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | morrelen |
| morrele | aanvoegende wijs | morrelen |
| morrelend | onvoltooid deelwoord | morrelen |
| morrelende | woordvorm | morrelen |
| morrelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | morrelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van morrelen zijn vastgelegd.