moker
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een zeer zware hamer met korte steel, die gewoonlijk voor smeed-, hak- en breekwerk gebruikt wordt
- nat
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| mokers | meervoud |
| mokertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| mokertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mokeren
- gebiedende wijs van mokeren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mokeren
Vervoeging van moker
mokerhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘breekhamer’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1657
Woordfamilie van moker
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| mokers | meervoud | moker |
| mokertje | verkleinwoord | moker |
| mokertjes | verkleinwoord meervoud | moker |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van moker zijn vastgelegd.