mitrailleren
werkwoordBetekenis
- beschieten met een machinegeweer
Vervoeging van mitrailleren
mitraillerenhele werkwoord — mitrailleerdeverleden tijd enkelvoud — mitrailleerdenverleden tijd meervoud — gemitrailleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | mitrailleer | mitrailleerde |
| jij | mitrailleert | mitrailleerde |
| hij, zij, het | mitrailleert | mitrailleerde |
| wij | mitrailleren | mitrailleerden |
| jullie | mitrailleren | mitrailleerden |
| zij | mitrailleren | mitrailleerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gemitrailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gemitrailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gemitrailleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gemitrailleerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gemitrailleerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gemitrailleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gemitrailleerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gemitrailleerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gemitrailleerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gemitrailleerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gemitrailleerd | verleden tijd, deelwoord |
| gemitrailleerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gemitrailleerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gemitrailleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemitrailleerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemitrailleerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemitrailleerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gemitrailleerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gemitrailleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gemitrailleerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gemitrailleerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemitrailleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemitrailleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemitrailleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemitrailleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemitrailleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemitrailleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemitrailleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemitrailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemitrailleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemitrailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemitrailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemitrailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemitrailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemitrailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemitrailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gemitrailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gemitrailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mitrailleer | gebiedende wijs |
| mitrailleerde | verleden tijd |
| mitraillere | aanvoegende wijs |
| mitraillerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemitrailleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te mitrailleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen mitrailleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gemitrailleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gemitrailleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gemitrailleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gemitrailleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gemitrailleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gemitrailleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gemitrailleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gemitrailleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gemitrailleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gemitrailleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gemitrailleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gemitrailleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gemitrailleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gemitrailleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gemitrailleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gemitrailleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gemitrailleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gemitrailleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gemitrailleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gemitrailleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gemitrailleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemitrailleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemitrailleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gemitrailleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemitrailleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gemitrailleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemitrailleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal mitrailleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal mitrailleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal mitrailleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gemitrailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gemitrailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gemitrailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gemitrailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gemitrailleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemitrailleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemitrailleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gemitrailleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemitrailleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gemitrailleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemitrailleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemitrailleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemitrailleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou mitrailleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou mitrailleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou mitrailleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemitrailleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemitrailleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemitrailleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gemitrailleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gemitrailleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gemitrailleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gemitrailleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemitrailleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemitrailleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden mitrailleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden mitrailleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden mitrailleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemitrailleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gemitrailleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gemitrailleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt mitrailleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemitrailleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemitrailleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemitrailleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gemitrailleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gemitrailleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gemitrailleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gemitrailleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemitrailleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemitrailleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen mitrailleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen mitrailleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen mitrailleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen mitrailleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemitrailleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gemitrailleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gemitrailleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult mitrailleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse mitrailler (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van mitrailleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemitrailleerd | voltooid deelwoord | mitrailleren |
| gemitrailleerde | woordvorm | mitrailleren |
| mitrailleer | gebiedende wijs | mitrailleren |
| mitrailleerde | verleden tijd | mitrailleren |
| mitrailleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | mitrailleren |
| mitrailleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | mitrailleren |
| mitraillere | aanvoegende wijs | mitrailleren |
| mitraillerend | onvoltooid deelwoord | mitrailleren |
| mitraillerende | woordvorm | mitrailleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mitrailleren zijn vastgelegd.