mitigeren
werkwoordBetekenis
- verzachten, matigen
Vervoeging van mitigeren
mitigerenhele werkwoord — mitigeerdeverleden tijd enkelvoud — mitigeerdenverleden tijd meervoud — gemitigeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | mitigeer | mitigeerde |
| jij | mitigeert | mitigeerde |
| hij, zij, het | mitigeert | mitigeerde |
| wij | mitigeren | mitigeerden |
| jullie | mitigeren | mitigeerden |
| zij | mitigeren | mitigeerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gemitigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gemitigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gemitigeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gemitigeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gemitigeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gemitigeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gemitigeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gemitigeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gemitigeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gemitigeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gemitigeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gemitigeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gemitigeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gemitigeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemitigeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemitigeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemitigeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gemitigeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gemitigeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gemitigeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gemitigeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemitigeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemitigeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemitigeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemitigeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemitigeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemitigeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemitigeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemitigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemitigeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemitigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemitigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemitigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemitigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemitigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemitigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gemitigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gemitigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mitigeer | gebiedende wijs |
| mitigeerde | verleden tijd |
| mitigere | aanvoegende wijs |
| mitigerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemitigeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te mitigeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen mitigeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gemitigeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gemitigeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gemitigeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gemitigeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gemitigeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gemitigeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gemitigeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gemitigeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gemitigeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gemitigeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gemitigeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gemitigeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gemitigeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gemitigeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gemitigeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gemitigeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gemitigeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gemitigeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gemitigeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gemitigeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gemitigeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemitigeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemitigeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gemitigeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemitigeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gemitigeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemitigeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal mitigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal mitigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal mitigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gemitigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gemitigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gemitigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gemitigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gemitigeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemitigeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemitigeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gemitigeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemitigeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gemitigeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemitigeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemitigeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemitigeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou mitigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou mitigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou mitigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemitigeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemitigeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemitigeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gemitigeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gemitigeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gemitigeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gemitigeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemitigeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemitigeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden mitigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden mitigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden mitigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemitigeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gemitigeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gemitigeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt mitigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemitigeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemitigeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemitigeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gemitigeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gemitigeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gemitigeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gemitigeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemitigeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemitigeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen mitigeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen mitigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen mitigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen mitigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemitigeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gemitigeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gemitigeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult mitigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘lenigen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1547
Woordfamilie van mitigeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemitigeerd | voltooid deelwoord | mitigeren |
| gemitigeerde | woordvorm | mitigeren |
| mitigeer | gebiedende wijs | mitigeren |
| mitigeerde | verleden tijd | mitigeren |
| mitigeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | mitigeren |
| mitigeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | mitigeren |
| mitigere | aanvoegende wijs | mitigeren |
| mitigerend | onvoltooid deelwoord | mitigeren |
| mitigerende | woordvorm | mitigeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mitigeren zijn vastgelegd.