mimen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- acteren zonder woorden
Vervoeging van mimen
mimenhele werkwoord — mimedeverleden tijd enkelvoud — mimedenverleden tijd meervoud — gemimedvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | mime | mimede |
| jij | mimet | mimede |
| hij, zij, het | mimet | mimede |
| wij | mimen | mimeden |
| jullie | mimen | mimeden |
| zij | mimen | mimeden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gemimed | verleden tijd, deelwoord |
| gemimed te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemimed zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemimed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemimed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemimed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemimed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemimed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemimed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemimed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemimed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemimed | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemimed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemimed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemimed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemimed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemimed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemimed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mime | gebiedende wijs |
| mime | aanvoegende wijs |
| mimede | verleden tijd |
| mimend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemimed | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te mimen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen mimen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gemimed hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemimed hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemimed hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal mimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal mimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal mimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gemimed hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemimed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemimed hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou mimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou mimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou mimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemimed hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemimed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemimed hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden mimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden mimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden mimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemimed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt mimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemimed hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemimed hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemimed hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen mimen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen mimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen mimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen mimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemimed hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult mimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord mime
Herkomst
Afgeleid van mime.
Woordfamilie van mimen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemimed | voltooid deelwoord | mimen |
| mimede | verleden tijd | mimen |
| mimeden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | mimen |
| mimend | onvoltooid deelwoord | mimen |
| mimende | woordvorm | mimen |
| mimet | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | mimen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mimen zijn vastgelegd.