mesten
werkwoordBetekenis
- bemesten, gieren
- uitmesten
- vetmesten
werkwoord
- van mest voorzien, bemesten, gieren transitive
- mest verwijderen uit, uitmesten transitive
- vet laten worden door overdadig voedsel te geven, vetmesten transitive
Vervoeging van mesten
mestenhele werkwoord — mestteverleden tijd enkelvoud — mesttenverleden tijd meervoud — gemestvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | mest | mestte |
| jij | mest | mestte |
| hij, zij, het | mest | mestte |
| wij | mesten | mestten |
| jullie | mesten | mestten |
| zij | mesten | mestten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gemest | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gemest | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gemest | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gemest | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gemest worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gemest zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gemest worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gemest zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gemest | verleden tijd, deelwoord |
| gemest te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemest zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemest | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mest | gebiedende wijs |
| meste | aanvoegende wijs |
| mestend | onvoltooid, deelwoord |
| mestte | verleden tijd |
| te hebben gemest | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te mesten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen mesten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gemest hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemest hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal mesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal mesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal mesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gemest hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemest hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou mesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou mesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou mesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemest hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemest hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden mesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden mesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden mesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt mesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemest hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemest hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen mesten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen mesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen mesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen mesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult mesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘vruchtbaar maken door bemesting’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van mesten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemest | voltooid deelwoord | mesten |
| gemeste | woordvorm | mesten |
| meste | aanvoegende wijs | mesten |
| mestend | onvoltooid deelwoord | mesten |
| mestende | woordvorm | mesten |
| mestte | verleden tijd | mesten |
| mestten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | mesten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mesten zijn vastgelegd.