meieren
werkwoordBetekenis
- zeiken, vervelend kletsen, zaniken, zeuren
Vervoeging van meieren
meierenhele werkwoord — meierdeverleden tijd enkelvoud — meierdenverleden tijd meervoud — gemeierdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | meier | meierde |
| jij | meiert | meierde |
| hij, zij, het | meiert | meierde |
| wij | meieren | meierden |
| jullie | meieren | meierden |
| zij | meieren | meierden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gemeierd | verleden tijd, deelwoord |
| gemeierd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemeierd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemeierd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemeierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemeierd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemeierd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemeierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemeierd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemeierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemeierd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemeierd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemeierd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemeierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemeierd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemeierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemeierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemeierd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| meier | gebiedende wijs |
| meierde | verleden tijd |
| meiere | aanvoegende wijs |
| meierend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemeierd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te meieren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen meieren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gemeierd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemeierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemeierd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal meieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal meieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal meieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gemeierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemeierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemeierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou meieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou meieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou meieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemeierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemeierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemeierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden meieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden meieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden meieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemeierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt meieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemeierd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemeierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemeierd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen meieren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen meieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen meieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen meieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemeierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult meieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘zaniken’ voor het eerst aangetroffen in 1913
Woordfamilie van meieren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemeierd | voltooid deelwoord | meieren |
| meierde | verleden tijd | meieren |
| meierden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | meieren |
| meiere | aanvoegende wijs | meieren |
| meierend | onvoltooid deelwoord | meieren |
| meierende | woordvorm | meieren |
| meiert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | meieren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meieren zijn vastgelegd.