meier
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈmɛiər/Betekenis
- in de vroege middeleeuwen (500-1000 n.C.) een beambte in dienst van een lands- of dorpsheer, vooral als aanklager en voorzitter met de rechtspraak in een bepaalde streek belast
- Na de middeleeuwen verviel de oorspronkelijke bestuurlijke betekenis van het woord en wordt meier gebruikt als ander woord voor pachter, pachtboer
Hoe spreek je meier uit?
/ˈmɛiər/
Meier bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɛi | trein |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- honderd gulden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| meiers | meervoud |
zelfstandig naamwoord — masculine
- m.n. in de vroege middeleeuwen (500-1000 n.C.) een beambte in dienst van een lands- of dorpsheer, vooral als aanklager en voorzitter met de rechtspraak in een bepaalde streek belast
- pachter, pachtboer, nadat de bestuurlijke bet. 1 uit het dagelijks leven was verdwenen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| meiers | meervoud |
| meiertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| meiertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van meieren
- gebiedende wijs van meieren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van meieren
Vervoeging van meier
meierhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Jiddisch, in de betekenis van ‘Bargoens: honderd gulden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1680
Woordfamilie van meier
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| meiers | meervoud | meier |
| meiertje | verkleinwoord | meier |
| meiertjes | verkleinwoord meervoud | meier |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meier zijn vastgelegd.