Naar de inhoud

meespelen

deelnemen aan een spel of wedstrijd

meespelen

werkwoord

Betekenis

  1. deelnemen aan een spel of wedstrijd
  2. mede een rol spelen in de gebeurtenissen
  3. tweede betekenisomschrijving
  4. enz.

Vervoeging van meespelen

meespelenhele werkwoord — speelde meeverleden tijd enkelvoud — speelden meeverleden tijd meervoud — meegespeeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik speel mee speelde mee
jij speelt mee speelde mee
hij, zij, het speelt mee speelde mee
wij spelen mee speelden mee
jullie spelen mee speelden mee
zij spelen mee speelden mee
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is meegespeeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was meegespeeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd meegespeeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt meegespeeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal meegespeeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal meegespeeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou meegespeeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou meegespeeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had meegespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had meegespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had meegespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden meegespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden meegespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden meegespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt meegespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb meegespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben meegespeeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben meegespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben meegespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben meegespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt meegespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft meegespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft meegespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
mee te spelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
mee te zullen spelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
mee zal spelen bijzin, toekomende tijd
mee zou spelen bijzin, voorwaardelijk
mee zouden spelen bijzin, voorwaardelijk
mee zoudt spelen bijzin, voorwaardelijk
mee zullen spelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
mee zullen spelen bijzin, toekomende tijd
mee zult spelen bijzin, toekomende tijd
meegespeeld verleden tijd, deelwoord
meegespeeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
meegespeeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
meespeel bijzin, tegenwoordige tijd
meespeelde bijzin, verleden tijd
meespeelden bijzin, verleden tijd
meespeelt bijzin, tegenwoordige tijd
meespelend onvoltooid, deelwoord
speel mee gebiedende wijs
speelde mee verleden tijd
te hebben meegespeeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen meespelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal meegespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal meegespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal meegespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal meespelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal meespelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal meespelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal meespelen bijzin, toekomende tijd
zou meegespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou meegespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou meegespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou meespelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou meespelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou meespelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou meespelen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) meespelen mee zou(dt) spelen bijzin, voorwaardelijk
zouden meegespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden meegespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden meegespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden meespelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden meespelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden meespelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden meespelen bijzin, voorwaardelijk
zoudt meegespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt meespelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt meespelen bijzin, voorwaardelijk
zullen meegespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen meegespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen meegespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen meespelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen meespelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen meespelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen meespelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen meespelen bijzin, toekomende tijd
zult meegespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult meespelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult meespelen bijzin, toekomende tijd
zult/zal meespelen mee zult/zal spelen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van mee bw en spelen ww

Woordfamilie van meespelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
meegespeeld voltooid deelwoord meespelen
meespeel subordinate-clause, tegenwoordige tijd meespelen
meespeelde subordinate-clause, verleden tijd meespelen
meespeelden subordinate-clause, verleden tijd meespelen
meespeelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd meespelen
meespele with-subordinate-clause meespelen
meespelend onvoltooid deelwoord meespelen
meespelende woordvorm meespelen
speel mee gebiedende wijs meespelen
speelde mee verleden tijd meespelen
speelden mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon meespelen
speelt mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon meespelen
spele mee woordvorm meespelen
spelen mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon meespelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meespelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over meespelen

Wat betekent meespelen?
Meespelen is een werkwoord. Het woord betekent: deelnemen aan een spel of wedstrijd. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je meespelen?
Je vervoegt meespelen als volgt: het voltooid deelwoord is meegespeeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord meespelen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. S 2
  5. P 3
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

meespelen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. S 2
  5. P 4
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

meespelen in het kort

meespelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van meespelen zijn 53 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort meespelen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

meespelen: deelnemen aan een spel of wedstrijd
Deel meespelen — standaardnederlands.nl