meespelen
werkwoordBetekenis
- deelnemen aan een spel of wedstrijd
- mede een rol spelen in de gebeurtenissen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van meespelen
meespelenhele werkwoord — speelde meeverleden tijd enkelvoud — speelden meeverleden tijd meervoud — meegespeeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | speel mee | speelde mee |
| jij | speelt mee | speelde mee |
| hij, zij, het | speelt mee | speelde mee |
| wij | spelen mee | speelden mee |
| jullie | spelen mee | speelden mee |
| zij | spelen mee | speelden mee |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is meegespeeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was meegespeeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd meegespeeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt meegespeeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal meegespeeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal meegespeeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou meegespeeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou meegespeeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had meegespeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had meegespeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had meegespeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden meegespeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden meegespeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden meegespeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt meegespeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb meegespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben meegespeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben meegespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben meegespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben meegespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt meegespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft meegespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft meegespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mee te spelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| mee te zullen spelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| mee zal spelen | bijzin, toekomende tijd |
| mee zou spelen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zouden spelen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zoudt spelen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zullen spelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| mee zullen spelen | bijzin, toekomende tijd |
| mee zult spelen | bijzin, toekomende tijd |
| meegespeeld | verleden tijd, deelwoord |
| meegespeeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| meegespeeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| meespeel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| meespeelde | bijzin, verleden tijd |
| meespeelden | bijzin, verleden tijd |
| meespeelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| meespelend | onvoltooid, deelwoord |
| speel mee | gebiedende wijs |
| speelde mee | verleden tijd |
| te hebben meegespeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen meespelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal meegespeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal meegespeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal meegespeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal meespelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal meespelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal meespelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal meespelen | bijzin, toekomende tijd |
| zou meegespeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou meegespeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou meegespeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou meespelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou meespelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou meespelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou meespelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) meespelen mee zou(dt) spelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden meegespeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden meegespeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden meegespeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden meespelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden meespelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden meespelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden meespelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt meegespeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt meespelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt meespelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen meegespeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen meegespeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen meegespeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen meespelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen meespelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen meespelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen meespelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen meespelen | bijzin, toekomende tijd |
| zult meegespeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult meespelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult meespelen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal meespelen mee zult/zal spelen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van mee bw en spelen ww
Woordfamilie van meespelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| meegespeeld | voltooid deelwoord | meespelen |
| meespeel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | meespelen |
| meespeelde | subordinate-clause, verleden tijd | meespelen |
| meespeelden | subordinate-clause, verleden tijd | meespelen |
| meespeelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | meespelen |
| meespele | with-subordinate-clause | meespelen |
| meespelend | onvoltooid deelwoord | meespelen |
| meespelende | woordvorm | meespelen |
| speel mee | gebiedende wijs | meespelen |
| speelde mee | verleden tijd | meespelen |
| speelden mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | meespelen |
| speelt mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | meespelen |
| spele mee | woordvorm | meespelen |
| spelen mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | meespelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meespelen zijn vastgelegd.