Naar de inhoud

meerijden

als passagier in een voertuig vervoerd worden

meerijden

werkwoord

Betekenis

  1. als passagier in een voertuig vervoerd worden
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van meerijden

meerijdenhele werkwoord — reed meeverleden tijd enkelvoud — reden meeverleden tijd meervoud — meegeredenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik rij mee reed mee
jij rijdt mee reed mee
hij, zij, het rijdt mee reed mee
wij rijden mee reden mee
jullie rijden mee reden mee
zij rijden mee reden mee
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben meegereden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent meegereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. rij mee/ rijd mee gebiedende wijs
is meegereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is meegereden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
mee te rijden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
mee te zullen rijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
mee zal rijden bijzin, toekomende tijd
mee zou rijden bijzin, voorwaardelijk
mee zouden rijden bijzin, voorwaardelijk
mee zoudt rijden bijzin, voorwaardelijk
mee zullen rijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
mee zullen rijden bijzin, toekomende tijd
mee zult rijden bijzin, toekomende tijd
meegereden verleden tijd, deelwoord
meegereden te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
meegereden zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
meereden bijzin, verleden tijd
meereed bijzin, verleden tijd
meereedt bijzin, verleden tijd
meerij bijzin, tegenwoordige tijd
meerijd bijzin, tegenwoordige tijd
meerijdend onvoltooid, deelwoord
meerijdt bijzin, tegenwoordige tijd
reed mee verleden tijd
te zijn meegereden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen meerijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart meegereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren meegereden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren meegereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren meegereden voltooid, verleden tijd, derde persoon
was meegereden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was meegereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was meegereden voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal meegereden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal meegereden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal meegereden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal meerijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal meerijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal meerijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal meerijden bijzin, toekomende tijd
zijn meegereden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn meegereden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn meegereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn meegereden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt meegereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou meegereden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou meegereden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou meegereden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou meerijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou meerijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou meerijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou meerijden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) meerijden mee zou(dt) rijden bijzin, voorwaardelijk
zouden meegereden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden meegereden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden meegereden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden meerijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden meerijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden meerijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden meerijden bijzin, voorwaardelijk
zoudt meegereden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt meerijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt meerijden bijzin, voorwaardelijk
zullen meegereden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen meegereden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen meegereden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen meerijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen meerijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen meerijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen meerijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen meerijden bijzin, toekomende tijd
zult meegereden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult meerijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult meerijden bijzin, toekomende tijd
zult/zal meerijden mee zult/zal rijden bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van mee bw en rijden ww

Woordfamilie van meerijden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
meegereden voltooid deelwoord meerijden
meereden subordinate-clause, verleden tijd meerijden
meereed subordinate-clause, verleden tijd meerijden
meerij subordinate-clause, tegenwoordige tijd meerijden
meerijd subordinate-clause, tegenwoordige tijd meerijden
meerijde with-subordinate-clause meerijden
meerijdend onvoltooid deelwoord meerijden
meerijdende woordvorm meerijden
meerijdt subordinate-clause, tegenwoordige tijd meerijden
reden mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon meerijden
reed mee verleden tijd meerijden
rij mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon meerijden
rijd mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon meerijden
rijde mee woordvorm meerijden
rijden mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon meerijden
rijdt mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon meerijden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meerijden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over meerijden

Wat is de betekenis van meerijden?
Meerijden is een werkwoord. De betekenis is: als passagier in een voertuig vervoerd worden. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik meerijden?
Zo vervoeg je meerijden zo: het voltooid deelwoord is meegereden. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord meerijden is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. R 2
  5. I 1
  6. J 4
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

meerijden levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. R 2
  5. I 2
  6. J 4
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (J) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

meerijden in het kort

meerijden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van meerijden staan er 50 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort meerijden bij een woordfamilie van 16 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

meerijden: als passagier in een voertuig vervoerd worden
Deel meerijden — standaardnederlands.nl