meepraten
werkwoordBetekenis
- samen met anderen over een onderwerp praten
- kunnen ~: ergens ervaring mee hebben, iets ook meegemaakt hebben
Vervoeging van meepraten
meepratenhele werkwoord — praatte meeverleden tijd enkelvoud — praatten meeverleden tijd meervoud — meegepraatvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | praat mee | praatte mee |
| jij | praat mee | praatte mee |
| hij, zij, het | praat mee | praatte mee |
| wij | praten mee | praatten mee |
| jullie | praten mee | praatten mee |
| zij | praten mee | praatten mee |
Alle 73 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had meegepraat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had meegepraat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had meegepraat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden meegepraat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden meegepraat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden meegepraat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt meegepraat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb meegepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben meegepraat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben meegepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben meegepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben meegepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt meegepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft meegepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft meegepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mee te praten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| mee te zullen praten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| mee zal praten | bijzin, toekomende tijd |
| mee zou praten | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zouden praten | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zoudt praten | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zullen praten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| mee zullen praten | bijzin, toekomende tijd |
| mee zult praten | bijzin, toekomende tijd |
| meegepraat | verleden tijd, deelwoord |
| meegepraat te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| meegepraat zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| meepraat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| meepraatte | bijzin, verleden tijd |
| meepraatten | bijzin, verleden tijd |
| meepratend | onvoltooid, deelwoord |
| praat mee | gebiedende wijs |
| praatte mee | verleden tijd |
| te hebben meegepraat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen meepraten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal meegepraat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal meegepraat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal meegepraat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal meepraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal meepraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal meepraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal meepraten | bijzin, toekomende tijd |
| zou meegepraat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou meegepraat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou meegepraat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou meepraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou meepraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou meepraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou meepraten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) meepraten mee zou(dt) praten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden meegepraat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden meegepraat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden meegepraat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden meepraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden meepraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden meepraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden meepraten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt meegepraat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt meepraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt meepraten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen meegepraat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen meegepraat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen meegepraat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen meepraten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen meepraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen meepraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen meepraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen meepraten | bijzin, toekomende tijd |
| zult meegepraat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult meepraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult meepraten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal meepraten mee zult/zal praten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van mee bw en praten ww
Woordfamilie van meepraten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| meegepraat | voltooid deelwoord | meepraten |
| meepraat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | meepraten |
| meepraatte | subordinate-clause, verleden tijd | meepraten |
| meepraatten | subordinate-clause, verleden tijd | meepraten |
| meeprate | with-subordinate-clause | meepraten |
| meepratend | onvoltooid deelwoord | meepraten |
| meepratende | woordvorm | meepraten |
| praat mee | gebiedende wijs | meepraten |
| praatte mee | verleden tijd | meepraten |
| praatten mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | meepraten |
| prate mee | woordvorm | meepraten |
| praten mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | meepraten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meepraten zijn vastgelegd.