Naar de inhoud

meepraten

samen met anderen over een onderwerp praten

meepraten

werkwoord

Betekenis

  1. samen met anderen over een onderwerp praten
  2. kunnen ~: ergens ervaring mee hebben, iets ook meegemaakt hebben

Vervoeging van meepraten

meepratenhele werkwoord — praatte meeverleden tijd enkelvoud — praatten meeverleden tijd meervoud — meegepraatvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik praat mee praatte mee
jij praat mee praatte mee
hij, zij, het praat mee praatte mee
wij praten mee praatten mee
jullie praten mee praatten mee
zij praten mee praatten mee
Alle 73 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had meegepraat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had meegepraat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had meegepraat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden meegepraat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden meegepraat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden meegepraat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt meegepraat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb meegepraat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben meegepraat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben meegepraat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben meegepraat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben meegepraat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt meegepraat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft meegepraat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft meegepraat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
mee te praten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
mee te zullen praten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
mee zal praten bijzin, toekomende tijd
mee zou praten bijzin, voorwaardelijk
mee zouden praten bijzin, voorwaardelijk
mee zoudt praten bijzin, voorwaardelijk
mee zullen praten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
mee zullen praten bijzin, toekomende tijd
mee zult praten bijzin, toekomende tijd
meegepraat verleden tijd, deelwoord
meegepraat te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
meegepraat zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
meepraat bijzin, tegenwoordige tijd
meepraatte bijzin, verleden tijd
meepraatten bijzin, verleden tijd
meepratend onvoltooid, deelwoord
praat mee gebiedende wijs
praatte mee verleden tijd
te hebben meegepraat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen meepraten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal meegepraat hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal meegepraat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal meegepraat hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal meepraten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal meepraten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal meepraten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal meepraten bijzin, toekomende tijd
zou meegepraat hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou meegepraat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou meegepraat hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou meepraten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou meepraten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou meepraten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou meepraten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) meepraten mee zou(dt) praten bijzin, voorwaardelijk
zouden meegepraat hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden meegepraat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden meegepraat hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden meepraten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden meepraten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden meepraten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden meepraten bijzin, voorwaardelijk
zoudt meegepraat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt meepraten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt meepraten bijzin, voorwaardelijk
zullen meegepraat hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen meegepraat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen meegepraat hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen meepraten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen meepraten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen meepraten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen meepraten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen meepraten bijzin, toekomende tijd
zult meegepraat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult meepraten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult meepraten bijzin, toekomende tijd
zult/zal meepraten mee zult/zal praten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van mee bw en praten ww

Woordfamilie van meepraten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
meegepraat voltooid deelwoord meepraten
meepraat subordinate-clause, tegenwoordige tijd meepraten
meepraatte subordinate-clause, verleden tijd meepraten
meepraatten subordinate-clause, verleden tijd meepraten
meeprate with-subordinate-clause meepraten
meepratend onvoltooid deelwoord meepraten
meepratende woordvorm meepraten
praat mee gebiedende wijs meepraten
praatte mee verleden tijd meepraten
praatten mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon meepraten
prate mee woordvorm meepraten
praten mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon meepraten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meepraten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over meepraten

Wat betekent meepraten?
Meepraten is een werkwoord. Het woord betekent: samen met anderen over een onderwerp praten. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je meepraten?
Je vervoegt meepraten als volgt: het voltooid deelwoord is meegepraat. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord meepraten is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. P 3
  5. R 2
  6. A 1
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

meepraten levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. P 4
  5. R 2
  6. A 1
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 zonder bonus
  11. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

meepraten in het kort

meepraten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van meepraten zijn 43 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort meepraten bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

meepraten: samen met anderen over een onderwerp praten
Deel meepraten — standaardnederlands.nl