Naar de inhoud

meenemen

bij het vertrek meevoeren naar een nieuwe plaats

meenemen

werkwoord ˈmenemə(n)

Betekenis

  1. bij het vertrek meevoeren naar een nieuwe plaats

Hoe spreek je meenemen uit?

/ˈmenemən/

Meenemen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈmenemən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
m maan
e veel
n nek
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. aanvullend in beschouwing nemen transitive

Vervoeging van meenemen

meenemenhele werkwoord — nam meeverleden tijd enkelvoud — namen meeverleden tijd meervoud — meegenomenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik neem mee nam mee
jij neemt mee naamt mee
hij, zij, het neemt mee nam mee
wij nemen mee namen mee
jullie nemen mee namen mee
zij nemen mee namen mee
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben meegenomen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent meegenomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is meegenomen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was meegenomen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd meegenomen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt meegenomen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal meegenomen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal meegenomen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou meegenomen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou meegenomen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had meegenomen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had meegenomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had meegenomen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden meegenomen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden meegenomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden meegenomen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt meegenomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb meegenomen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben meegenomen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben meegenomen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben meegenomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben meegenomen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt meegenomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft meegenomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft meegenomen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is meegenomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is meegenomen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
mee te nemen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
mee te zullen nemen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
mee zal nemen bijzin, toekomende tijd
mee zou nemen bijzin, voorwaardelijk
mee zouden nemen bijzin, voorwaardelijk
mee zoudt nemen bijzin, voorwaardelijk
mee zullen nemen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
mee zullen nemen bijzin, toekomende tijd
mee zult nemen bijzin, toekomende tijd
meegenomen verleden tijd, deelwoord
meegenomen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
meegenomen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
meegenomen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
meegenomen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
meegenomen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
meegenomen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
meegenomen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
meegenomen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
meegenomen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
meegenomen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
meenaamt bijzin, verleden tijd
meenam bijzin, verleden tijd
meenamen bijzin, verleden tijd
meeneem bijzin, tegenwoordige tijd
meeneemt bijzin, tegenwoordige tijd
meenemend onvoltooid, deelwoord
nam mee verleden tijd
neem mee gebiedende wijs
te hebben meegenomen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen meenemen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart meegenomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren meegenomen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren meegenomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren meegenomen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was meegenomen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was meegenomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was meegenomen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd meegenomen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd meegenomen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd meegenomen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden meegenomen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden meegenomen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden meegenomen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt meegenomen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word meegenomen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden meegenomen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden meegenomen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden meegenomen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt meegenomen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt meegenomen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal meegenomen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal meegenomen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal meegenomen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal meegenomen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal meegenomen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal meegenomen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal meegenomen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal meenemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal meenemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal meenemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal meenemen bijzin, toekomende tijd
zijn meegenomen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn meegenomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn meegenomen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt meegenomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou meegenomen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou meegenomen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou meegenomen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou meegenomen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou meegenomen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou meegenomen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou meegenomen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou meegenomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou meegenomen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou meenemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou meenemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou meenemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou meenemen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) meenemen mee zou(dt) nemen bijzin, voorwaardelijk
zouden meegenomen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden meegenomen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden meegenomen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden meegenomen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden meegenomen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden meegenomen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden meegenomen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden meegenomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden meegenomen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden meenemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden meenemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden meenemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden meenemen bijzin, voorwaardelijk
zoudt meegenomen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt meegenomen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt meegenomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt meenemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt meenemen bijzin, voorwaardelijk
zullen meegenomen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen meegenomen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen meegenomen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen meegenomen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen meegenomen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen meegenomen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen meegenomen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen meegenomen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen meegenomen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen meenemen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen meenemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen meenemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen meenemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen meenemen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van mee bw en nemen ww

Woordfamilie van meenemen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
meenam subordinate-clause, verleden tijd meenemen
meenamen subordinate-clause, verleden tijd meenemen
meeneem subordinate-clause, tegenwoordige tijd meenemen
meeneemt subordinate-clause, tegenwoordige tijd meenemen
meeneme with-subordinate-clause meenemen
meenemend onvoltooid deelwoord meenemen
meenemende woordvorm meenemen
naamt mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon meenemen
nam mee verleden tijd meenemen
namen mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon meenemen
neem mee gebiedende wijs meenemen
neemt mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon meenemen
neme mee woordvorm meenemen
nemen mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon meenemen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meenemen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over meenemen

Hoe spreek ik meenemen uit?
Zo spreek je meenemen uit: /ˈmenemə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van meenemen?
Meenemen is een werkwoord. De betekenis is: bij het vertrek meevoeren naar een nieuwe plaats. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik meenemen?
Zo vervoeg je meenemen zo: het voltooid deelwoord is meegenomen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord meenemen is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. N 1
  5. E 1
  6. M 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

meenemen levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 54 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. N 1
  5. E 1
  6. M 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 12 zonder bonus
  10. 54 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

meenemen in het kort

meenemen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van meenemen staan er 90 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort meenemen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

meenemen: bij het vertrek meevoeren naar een nieuwe plaats
Deel meenemen — standaardnederlands.nl