Naar de inhoud

meelopen

iemand vergezellen tijdens het lopen

meelopen

werkwoord ˈmelopə(n)

Betekenis

  1. iemand vergezellen tijdens het lopen

Hoe spreek je meelopen uit?

/ˈmelopən/

Meelopen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈmelopən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
m maan
e veel
l land
o boot
p pak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van meelopen

meelopenhele werkwoord — liep meeverleden tijd enkelvoud — liepen meeverleden tijd meervoud — meegelopenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik loop mee liep mee
jij loopt mee liep mee
hij, zij, het loopt mee liep mee
wij lopen mee liepen mee
jullie lopen mee liepen mee
zij lopen mee liepen mee
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben meegelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent meegelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is meegelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is meegelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
liep mee verleden tijd
loop mee gebiedende wijs
mee te lopen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
mee te zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
mee zal lopen bijzin, toekomende tijd
mee zou lopen bijzin, voorwaardelijk
mee zouden lopen bijzin, voorwaardelijk
mee zoudt lopen bijzin, voorwaardelijk
mee zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
mee zullen lopen bijzin, toekomende tijd
mee zult lopen bijzin, toekomende tijd
meegelopen verleden tijd, deelwoord
meegelopen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
meegelopen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
meeliep bijzin, verleden tijd
meeliepen bijzin, verleden tijd
meeloop bijzin, tegenwoordige tijd
meeloopt bijzin, tegenwoordige tijd
meelopend onvoltooid, deelwoord
te zijn meegelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen meelopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart meegelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren meegelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren meegelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren meegelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was meegelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was meegelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was meegelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal meegelopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal meegelopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal meegelopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal meelopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal meelopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal meelopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal meelopen bijzin, toekomende tijd
zijn meegelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn meegelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn meegelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn meegelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt meegelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou meegelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou meegelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou meegelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou meelopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou meelopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou meelopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou meelopen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) meelopen mee zou(dt) lopen bijzin, voorwaardelijk
zouden meegelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden meegelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden meegelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden meelopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden meelopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden meelopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden meelopen bijzin, voorwaardelijk
zoudt meegelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt meelopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt meelopen bijzin, voorwaardelijk
zullen meegelopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen meegelopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen meegelopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen meelopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen meelopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen meelopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen meelopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen meelopen bijzin, toekomende tijd
zult meegelopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult meelopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult meelopen bijzin, toekomende tijd
zult/zal meelopen mee zult/zal lopen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van mee bw en lopen ww

Woordfamilie van meelopen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
liep mee verleden tijd meelopen
liepen mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon meelopen
loop mee gebiedende wijs meelopen
loopt mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon meelopen
lope mee woordvorm meelopen
lopen mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon meelopen
meegelopen voltooid deelwoord meelopen
meeliep subordinate-clause, verleden tijd meelopen
meeliepen subordinate-clause, verleden tijd meelopen
meeloop subordinate-clause, tegenwoordige tijd meelopen
meeloopt subordinate-clause, tegenwoordige tijd meelopen
meelope with-subordinate-clause meelopen
meelopend onvoltooid deelwoord meelopen
meelopende woordvorm meelopen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meelopen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over meelopen

Hoe spreek ik meelopen uit?
Zo spreek je meelopen uit: /ˈmelopə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van meelopen?
Meelopen is een werkwoord. De betekenis is: iemand vergezellen tijdens het lopen.
Hoe vervoeg ik meelopen?
Zo vervoeg je meelopen zo: het voltooid deelwoord is meegelopen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord meelopen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. L 3
  5. O 1
  6. P 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

meelopen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. L 3
  5. O 1
  6. P 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

meelopen in het kort

meelopen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van meelopen staan er 46 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort meelopen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

meelopen: iemand vergezellen tijdens het lopen
Deel meelopen — standaardnederlands.nl